woensdag 28 februari 2007
Dochter van de misdadiger
(column van Kees ’t Hart; geplaatst in De Groene Amsterdammer)
Wat moet je doen? Ik woon in Den Haag aan een van de meest vervuilde straten van Nederland. Fijnstof ver boven de toegestane waarden. Soms denk ik erover er een onderzoek naar te doen. Hoe is het zo ver gekomen? Waarom was het wel mogelijk de euro in sneltreinvaart in te voeren maar blijft het fijnstof al tientallen jaren gewoon tot in alle huizen en lichamen van de bewoners doordringen? Pure misdaad is het, ik weet het zeker. Ja, ik zou in Nova optreden, er zouden de bekende krokodillentranen van de betrokken ministers zijn (‘we hebben te maken met de Europese regelgeving’), maar de volgende dag ging het alweer over het klimaat en begon de nieuwe voetbalcompetitie. Wat doe je als schrijver? Het actiewezen ingaan? Pamfletten schrijven, demonstreren, een drol door de brievenbus van burgemeester Deetman persen (veel minder gevaarlijk dan fijnstof)? Van romans schrijven komt het dan niet meer. Je bent een columnist geworden, gaat deel uitmaken van de meningenmachine en wordt uiteindelijk, het is onvermijdelijk, een nar van je eigen woede.
Je kunt ook proberen een zo mooi mogelijke roman te schrijven waarin je je kunstenaarschap niet uitlevert aan je schuldgevoel maar de consequenties nagaat van handelingen en verhoudingen. Waarin je middelen van literatuur – gevoel, stijl, verlangen en verbeelding– gebruikt om menselijk gedrag in detail te laten zien. Niet de grote lijnen ervan, maar het minieme en het banale, datgene wat buiten de grote verhalen dreigt te vallen. Grote literatuur laat grote mogelijkheden zien van kleine mensen en kleine dingen.
Zo schreven de grote schrijvers hun spiegels, gebroken of niet, van maatschappelijke verhoudingen: de gezusters Brontë, Tsjechov, Mark Twain, Graham Greene, V.S. Naipaul, bij ons Simon Vestdijk en W.F. Hermans. Juist wanneer het in hun boeken niet om machtsverhoudingen lijkt te gaan, in de details dus, in de onbetekenende beschrijvingen van wat een personage ziet, blijkt het uiteindelijk toch altijd om de uitwerking ervan te gaan. Dat is het minste wat literatuur kan doen: consequenties laten zien. Meer niet, maar ook niet minder.
Marjolijn Februari aarzelt in deze, haar tweede, roman principieel tussen pamflet en roman. Ze maakt de hierboven geschetste problematiek rondom schrijven, rondom keuzes dus, mooi zichtbaar. Ze laat de gevolgen zien van een misdaad tegen een groep welgestelde burgers uit een dorp in Nederland. Wat doe je met een misdaad die in de doofpot wordt gestopt? 'Vergis je niet. [...] Hoewel alles hier in diepe rust lijkt, wordt vanaf deze verborgen plek de hele wereld bestuurd.' Zo is het natuurlijk bij een ambitieuze roman als deze: dit dorp is de wereld in een notendop. Ons kent ons, er bestaat nauwelijks aarzeling over wie de macht heeft en hoe de wereld in elkaar zit. Ineens wordt deze zelfgenoegzame en veilige wereld aan het wankelen gebracht door een roman. En dit is precies de kernvraag van Februari’s boek. Kan een roman de wereld aan het wankelen brengen? Lees verder...
|