maandag 28 mei 2007
Recensie: Spel van Stephan Enter
Daniëlle Serdijn over het derde boek van Stephan Enter
Stephan Enter is een fijnschrijver. Fijner vind je ze niet. Ragfijn, zuiver, elegant. Een stijl als opengewerkt filigrein, die zich goed leent voor bepaalde onderwerpen. Natuurbeschrijvingen bijvoorbeeld, of de jongensjaren. Want Enters minutieuze beschrijvingen overtuigen de lezer van de kleine wereld die in zijn verhalen geschilderd wordt. De lichtval, het ritselen van blaadjes, het groen; het komt tot leven en het is alsof er nog veel meer te zien is. Het geeft de suggestie van diepte, van ruimtelijkheid haast.
Wat in Winterhanden (1999) en Lichtjaren (2004) al zo kenmerkend aanwezig was, heeft Enter nu tot ware kunst verheven. Zijn nieuwe boek, Spel, is een roman in verhalen. We volgen een jongen, Norbert Vijgh, in zijn ontwikkeling vanaf ongeveer z’n negende tot negentiende jaar.
Centraal in de verhalen staat het spel – wat mooi gekozen is want in het spelen oefent men voor later. In het spel van de jongen herkent men de man: neemt hij risico’s? Is hij bang voor andere jongens? Hoe verweert hij zich? Is hij verbaal of fysiek ingesteld? Een denker of een doener? Is hij galant of juist een hork? Jong geleerd, oud gedaan.
Spel opent met het verhaal Vogeltaal. Enter introduceert Norbert, – in literair familieverband het achterneefje van Anton Wachter en Werther Nieland – en zijn vriendjes Bennie en Theo, broers en ruige donders. Plaats van handeling is Brevendal, een arcadisch dorp in een bosrijke omgeving. Het verhaal moet ergens in de tweede helft van de jaren zeventig spelen, lichtjaren verwijderd van Nintendo, in een tijd dat Old Shatterhand nog als rolmodel gold.
Het laatste jongetje in de rangorde, dikwijls ook de minst fysiek ingestelde, moest zich noodgedwongen schikken in de rol van Tangua, ‘het boosaardige en steevast gruwelijk aan zijn eind komende stamhoofd der Kiowa’s’. Norbert is die laatste, maar alleen voor de periode dat de vrienden op de lagere school zitten.
In een van de andere verhalen, Heroïsch, vertelt Norbert dat het vreemd is dat je eigenlijk alleen tot aan de laatste klas van de lagere school met ‘zulk soort jongens’ speelt. Daarna verlies je elkaar uit het oog. Zíj zullen na de LTS in de bouw gaan werken, hij zal gaan studeren. Ze zullen steeds minder van elkaar begrijpen, steeds verder uit elkaar groeien. Het is een sociologische wetmatigheid, en wel eentje waarover het in Nederland lastig spreken is. Zoiets zeg je niet. Klassenverschillen bestaan hier niet. Maar ze zijn er wel. Enter heeft er subtiel oog voor.
Aan het eind van de middelbare school, in het verhaal Stoelendans, voltrekt zich een volgende scheiding der geesten; die tussen de vlot incasserende verbaal begaafden en de nerds, zoals ze in goed Nederlandse zijn gaan heten. Kleiner en kleiner wordt de groep, tot uiteindelijk alleen een paar alfamannetjes overblijven. ‘We waren niet bang meer. Vroeger kenden we blinde angst terwijl er nooit iets echts gevaarlijks gebeurde, en nu was het andersom: er was meer gevaar, we waren sterk genoeg om elkaar de gruwelijkste dingen aan te doen. Maar we waren in staat onze angsten klein te redeneren en [. . .] er om te lachen. Als we iets leerden, was het de magische, wonderlijk allesbezwerende werking van het lachen.’
Stoelendans is een van de fraaiste verhalen in het boek. Het is doeltreffend geschreven, effectief gedetailleerd. Enter is scherp in z’n observaties van de jonge mannenmens – ‘Sommigen van ons zaten onder de puisten en de zwaarst getroffenen zaten de hele dag onder hun trui te wroeten’. Maar niet zonder mededogen: ‘We werden zowel energieker als apathischer’.
Ook de andere verhalen gaan over opgroeien, over leren, over hoe je je het best kunt handhaven in een groep. Het gros van de volwassenen heeft een vergelijkbare leerschool moeten doorlopen. Vleugjes heimwee en sentiment doen hun werk, precies zoals in De Daltons, die kinderserie die de VPRO eens in de zoveel tijd opnieuw uitzendt. De ervaringen en herinneringen van Norbert Vijgh worden de jouwe, zelfs al heeft de lezer altijd de pest gehad aan Karl May en woonde hij nooit in een bosrijke omgeving.
Dat Enter het verlangen daarnaar toch weet op te roepen is een wonderlijke gave en maakt Spel tot een uitzonderlijke roman.
|