donderdag 16 augustus 2007
Recensie: De eerste jaren van Doeschka Meijsing
Door Arie Storm voor Het Parool
Van de hand van Doeschka Meijsing verscheen de tweede novelle van een Nederlandse auteur die zich 'op het werk van de meester' inspireerde - zoals uitgeverij De Bezige Bij het formuleert. Met die meester wordt de tachtigjarige Harry Mulisch bedoeld.
Een gênante reeks, tot die conclusie waren we vorige keer al gekomen. En het wordt er met De eerste jaren, dat is de titel van de novelle van Meijsing, niet beter op.
Meijsing schrijft beter dan Abdelkader Benali, die de serie opende, maar wil Meijsing nu werkelijk worden vergeleken met H.M.?
De eerste jaren wordt op de flap stevig aan De pupil van de jubilaris himself geketend. Dus heb ik voor deze gelegenheid die (korte) roman uit 1987 herlezen.
Mulisch blijkt allang zijn eigen eerbetoon te hebben geschreven. Wat een geweldig boek!
De pupil gaat over een ontwakend schrijverschap. Als zestigjarige terugblikkend op zijn jeugdige zelf, slaat Mulisch heerlijk aan het overdrijven, haalt hij grappen en grollen uit, lapt hij de moderne spelling en interpunctie aan zijn laars en laat hij de 133 bladzijden die de eerste druk telt, ritselen van de mysteries.
Ook is in De pupil het citaat te vinden dat de vinger op de zere plek legt van deze onderneming van De Bezige Bij. Op pagina veertig staat namelijk dat een auteur zich niet moet laten afdwalen van zijn eigen weg: 'De bestaande literatuur zei mij niets, ik was een schrijver, geen literator. Het enige dat mij iets zei, was wat ik niet zeggen kon, en dat ik tegen elke prijs zegbaar moest maken. Daarbij kon niemand mij helpen, want mijn werk zou zo uniek en raadselachtig volmaakt zijn, dat later ook niemand er iets van kon leren, aangezien het zijn wortels zou hebben in een diep geheim.'
Over dat geheim gaat De pupil. En gaat ook een beetje De eerste jaren van Doeschka Meijsing.
Zonder de virtuositeit van Mulisch, zonder zijn eindeloze eigenwijsheid en zonder zijn humor beschrijft Meijsing de eerste twaalf jaren van een in 1923 geboren jongetje. Ze doet dat op de manier waar ze goed in is: sterk zintuiglijk.
't Is niet onaangenaam om te lezen, maar met Mulisch en zijn grote greep naar de literatuur heeft dit boekje weinig te maken.
Al met al komt hiermee de stand tussen Mulisch en de schrijvers die hem met een novelle willen eren, op 2-0. Voor Mulisch, natuurlijk.
|