woensdag 17 oktober 2007
AKO-genomineerden smijten met modder
Arnon Grunberg en A.F.Th. van der Heijden zijn verwikkeld in een publiekelijke woordenstrijd. Beide schrijvers zijn genomineerd voor de AKO literatuurprijs die op 5 november wordt uitgereikt.
Aanleiding is een open brief van Grunberg aan Van der Heijden die drie weken geleden werd afgedrukt in het Het Parool en het Vlaamse blad Humo. Grunberg schrijft sinds 2001 wekelijks een open brief voor deze publicaties, niet zelden resulterend in een regelrechte aanval op de geadresseerde. Naar aanleiding van een lovende recensie in deze krant noemde hij Van der Heijdes novelle Mim (2007) in de brief ‘een typografische kwestie van een verwarde kabbalist’. Het boek heeft volgens Grunberg ‘geheel in de verte niets met literatuur te maken’. Vooral de woordspelletjes in de novelle konden Grunberg niet bekoren. Hij besluit met de schimpscheut: ‘Uit uw dagboeken weten we dat uw ware interesse beperkt blijft tot uw stoelgang en uw dagelijks broodje roerei. De rest is typografie. Mag ik u het beste wensen?’ Van der Heijden, genomineerd voor de AKO literatuurprijs met zijn roman Het schervengericht, reageerde deze week met een open brief aan Grunberg in HP/De Tijd:‘Het begint vooral op te vallen dat jij collega’s aanvalt op het moment dat ze ook eens even (nou, het zou wat) in de publieke belangstelling staan. Als een andere schrijver jou, die de literatuur als eenmanszaak beschouwt, aldus te na komt, word je daar kennelijk mentaal en fysiek onpasselijk van. Je begint alleronsmakelijkst te spugen. Echt onbehoorlijk word het pas als je karaktermoord probeert te plegen op iemand met wie je je net in een competitie voor een literaire prijs hebt begeven. Als mijn aanwezigheid op de shortlist jou beledigt, geef de nominatie dan terug, maar je kunt niet en aan een competitie deelnemen en aan de zijlijn ervan een vuil soort hooliganisme bedrijven.’ Op zijn beurt probeert Van der Heijden aan te tonen dat de genomineerde roman Tirza van Grunberg niet deugt. Hij wijst op een inconsistentie in de roman: de huurder van hoofdpersoon Jörgen Hofmeester heeft op pagina 96 zijn broek op zijn enkels, maar een paar pagina’s later staat dat hij zijn broek op zijn knieën heeft. Weer een paar pagina’s verderop ligt die broek toch op zijn enkels, en deze broekendans eindigt op de volgende bladzij met: ‘Hoe aangenaam het was de huisbaas tegemoet te treden met de pantalon en onderbroek op de knieën.’
Voorts roept Van der Heijden een gebeurtenis in herinnering toen beide auteurs in 2004 voor een lezingenavond in Berlijn waren. Niet lang van tevoren had Grunberg eenzelfde soort venijnig stukje over Van der Heijden geschreven in Humo. Het verbaasde Van der Heijden Grunberg te zien aanschuiven bij het diner zonder zijn collega’s te begroeten. ‘Het tafereel had iets ontegenzeggelijks gluiperigs: daar zat de jonge schrijver die bereid was achter zijn pc alle aanwezigen in te maken voor de winter, maar die te bescheten bleek om ze met het vizier open een hand te geven. De held.’ Van der Heijden stelt voor om tijdens het schrijversdiner op 5 november, dat wordt gehouden ter gelegenheid van de uitreiking van de AKO literatuurprijs, de kennismaking alsnog te laten plaatsvinden, ‘en dan ordentelijk’.
Bij Pauw & Witteman, dat de uitreiking van de prijs rechtstreeks uitzendt en de zes genomineerden op verschillende dagen te gast heeft, hebben beide schrijvers inmiddels ook al hun zegje over de polemiek gedaan. Van der Heijden herhaalde zo ongeveer de uitspraken die hij deze week deed in HP/De Tijd. Grunberg, die drie dagen later bij Pauw & Witteman aanschoof, zei zijn open brieven te beschouwen als “hulpverlening”. Met een stalen gezicht: “Ik dacht ach, ik schrijf een brief aan meneer Van der Heijden. Ik las dat boek Mim en ik dacht die man kan een beetje hulp gebruiken. Dat heb ik hem beleefd en eerbiedig geprobeerd te bieden.” (bron: NRC)
|