zaterdag 6 oktober 2007
Arjan Erkel's roman over jonge westerse jihadisten
Door Janny Groen en Annieke Kranenberg voor de Volkskrant
Arjan Erkel was verrast door de présence van Samir A. toen hij hem voor het eerst in de gevangenis bezocht. Hij zou een terrorist ontmoeten, maar maakte kennis met een ‘een innemend jongetje. Intelligent. Ik dacht: waarom ben je niet doorgegaan met je studie, waarom verlang je naar het leven na de dood.’
Samir was op zijn beurt nieuwsgierig naar Erkels ervaringen met de moslimrebellen die hem tussen 2002 en 2004 gijzelden toen hij voor Artsen zonder Grenzen in Dagestan werkte. ‘Hoe zag je schuilplaats eruit?’ Met een beetje fantasie hadden hun levens elkaar eerder kunnen kruisen. Erkel werd slachtoffer van de mujahideen bij wie Samir zich in 2003 wilde voegen in de strijd tegen de Russen.
Erkels boek Samir (uitgeverij Balans), dat donderdag is verschenen, is niet het letterlijke levensverhaal van de vwo-scholier uit Amsterdam-West die in totaal twaalf jaar celstraf kreeg voor het voorbereiden van terroristische aanslagen.
Anders dan de echte Samir, die door de Oekraďense grenspolitie werd teruggestuurd, slaagt de fictieve Samir er wel in deel te nemen aan de jihad in Tsjetsjenië. ‘Het boek is mijn interpretatie van de wereld waarin jongens als Samir leven’, zegt Erkel.
Op andere punten is het boek waarheidsgetrouw. Drie keer bezocht de schrijver Samir in de gevangenis voordat hij werd overgeplaatst naar de terroristenafdeling in Vught. Daar werd Erkel de toegang geweigerd. Verder sprak hij met zijn vrouw, schoonfamilie en mocht hij gebruik maken van Samirs gecensureerde dagboek.
Samir stemde in met het boek omdat ‘hij zag dat ik me echt wilde verdiepen in zijn drijfveren, niet mijn eigen punt wilde maken. Ik was niet uit op onthullingen, vroeg niet: wilde je de kerncentrale Borssele echt opblazen?’
Erkel twijfelt niet aan de oprechtheid van Samirs motieven toen hij naar Tsjetsjenië wilde afreizen. ‘Hij voelt puur onrecht wat de moslims daar wordt aangedaan. En het Westen – dat zich wel druk maakt over een opgeblazen bus met Joden maar de Tsjetsjeense kinderen in de steek laat – belichaamt voor hem het kwaad.’
Wat dat betreft is Samir volgens Erkel exemplarisch voor radicaliserende jongeren in Nederland. Een groep die volgens minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken nog altijd gestaag groeit. ‘Zij vinden zelf dat ze een positieve bijdrage leveren aan de wereld. Zij hebben het heilige vuur, wat bij ons al lang is uitgedoofd. De enige keer dat wij nog met z’n allen de straat op gaan, is wanneer het Nederlands elftal kampioen wordt. Het zou alleen mooi zijn als ze die idealen inzetten voor een zaak die ook wij als positief ervaren.’
Na de verschijning van zijn boek Ontvoerd, een persoonlijk verslag van zijn gijzeling, wist cultureel antropoloog Erkel dat hij ook wilde schrijven vanuit het perspectief van fundamentalistische moslims. Tijdens zijn ontvoering was hij zich ervan bewust dat hij zich – los van de mensonterende omstandigheden – in een unieke positie bevond. In een piepkleine ruimte kon hij de moslimrebellen van nabij bestuderen. Na verloop van tijd groeide het contact.
Hij was geďntrigeerd door de dertien mannen die vol overtuiging hun leven in dienst stelden van de ‘pure islam’. Alle ongemakken – eentonigheid, gebrek aan privacy, uitgegraven schuilplaatsen – leken hen niet te deren. Hun broederschap en spiritualiteit had iets weg van een kloosterorde. Die observaties gebruikte Erkel voor Samirs fictieve strijd in Tsjetsjenië.
In het boek tonen de rebellen veel geduld voor de Nederlandse puber op Puma-gympen. Zitten de strijders in werkelijkheid wel te wachten op jongeren uit Europa? ‘Ze zijn keihard, maar ik denk dat ze zich over hen zouden ontfermen. De ummah-gedachte (wereldwijde moslimgemeenschap, red.) is heel sterk. Een Oezbeekse en Nederlandse moslim hebben meer met elkaar gemeen dan een Zuid-Koreaanse en Nederlandse katholiek.’ De overeenkomsten tussen de rebellen en Samir vindt hij treffend: ‘Dezelfde retoriek, idolen en schriftgeleerden.’
Hij is er niet bang voor dat de romantiek en het avontuur in het boek moslimjongeren zullen inspireren voor de jihad. ‘Als je die stap zet, heb je al een heel proces doorgemaakt.’ Zo demonstreerde Samir op zijn 15de op de Dam in Amsterdam voor de Palestijnen, verkleed als martelaar, omgord met nepexplosieven.
Erkel rekent erop dat hem het Stockholmsyndroom (vereenzelvigen met de gijzelnemers) wordt verweten. Hij ligt er niet wakker van. ‘Eind jaren negentig onderhandelde ik al met de Osama bin Ladens van Tadzjikistan om met Artsen zonder Grenzen een gebied binnen te komen. Mijn geschiedenis met moslims gaat ver terug.’
Hij maakt duidelijk dat hij het extremistische gedachtengoed verwerpt, maar hij heeft ook kritiek op de aanpak van radicalisering. ‘Men weigert zich te verdiepen in de achterliggende oorzaken. Vraag je af: waarom zouden Nederlandse jongeren dáár naar toe willen?’
Bij zijn laatste bezoek aan de gevangenis begroette Samir hem met ‘zdravstvuyte’. Samir studeert dan Russisch. Verlangt Samir nog steeds naar de jihad in Tsjetsjenië? ‘Dat weet ik niet, maar zijn boosheid zit diep.’
|