zaterdag 27 oktober 2007
Een schrijver doet het niet voor de centen
Jeroen Brouwers weigerde de afgelopen week de Prijs der Nederlandse Letteren. Hij vond het ‘geldbedrag een schijntje’. Schrijvers hebben het niet gemakkelijk. Een baan ernaast geen overbodige luxe.
Door Nikole den Teulingen en Roelof de Vries voor DAG
‘Een fooi’, vindt schrijver Jeroen Brouwers de 16.000 euro die hij zou ontvangen voor de Prijs der Nederlandse Letteren. En dus weigerde hij dinsdag een van de belangrijkste prijzen die er op literair gebied te winnen valt.
Wat Brouwers vooral steekt is dat hij als gevestigd schrijver ‘moet smeken om ergens een bedragje los te krijgen’. Voor de auteur is het schrijversbestaan toch al geen vetpot: aan de verkoop van zijn boeken verdiende Brouwers naar eigen zeggen vorig jaar een povere 6.000 euro.
Het is moeilijk om als schrijver in Nederland je brood te verdienen, erkent Lisa Kuitert, hoogleraar Boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Er zijn dan ook een hoop auteurs die er een baan naast hebben. Brouwers wil fulltime schrijven om tot voldoende inspiratie te komen. Maar Nederland is voor velen te klein om alleen van het schrijven te leven.’
Het percentage dat een schrijver per verkocht boek ontvangt is de laatste jaren weliswaar iets gestegen (van 10 naar ongeveer 12 procent), maar het grootste gedeelte van de opbrengst gaat nog altijd naar andere partijen. De uitgever strijkt ongeveer 10 procent op en de boekhandel 40. De rest is voor de drukker en de distributeur.
Schrijvers die hun inkomen willen aanvullen, kunnen subsidie aanvragen, bijvoorbeeld bij het Fonds voor de Letteren. Directeur Sylvia Dornseiffer: ‘Wij verdelen jaarlijks 5 miljoen euro onder schrijvers en vertalers. We werpen een hoge drempel op: wie subsidie wil, moet al twee boeken gepubliceerd hebben. Bovendien moet het werk kwalitatief goed zijn.’ Het gros van de literaire schrijvers moet het volgens Dornseiffer hebben van wat zij noemt ‘prijsjes’ en beurzen. ‘In een enquête onder 240 schrijvers gaf 48 procent aan minder dan 5.000 euro per jaar te verdienen aan zijn literaire werk.’
Schrijfster Cindy Hoetmer heeft ook wel eens ergens subsidie aangevraagd. ‘Die aanvraag werd niet gehonoreerd. Ik heb maar niet om uitleg gevraagd. Ik ken collega’s die dat wel hebben gedaan, en die moesten flink slikken. Mijn werk zal wel niet genoeg literaire pretentie hebben.’ Hoetmer, die in augustus haar tweede roman Schop me! (eerste druk: 2.500 exemplaren) uitbracht, zou er niet over peinzen een prijs te weigeren. ‘Al was het er een van een tientje!’ Ze vindt niet dat schrijvers onderbetaald worden. ‘Ik krijg 1,60 per boek en dat is prima. Ik kan van schrijven alleen niet leven, maar als ik een boek schrijf dat heel veel mensen willen lezen, komt dat toch vanzelf?’
Succesauteur Renate Dorrestein heeft geen subsidie meer nodig. Van haar laatste boek Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor gingen er al meer dan 100 duizend over de toonbank. ‘Ik besef dat het een enorm voorrecht is dat ik ervan kan bestaan’, zegt ze. Het succes heeft haar niet blind gemaakt voor de moeilijke positie van sommige van haar collega’s: ‘Ik vind het bedrag dat Brouwers zou krijgen beschamend. Het gaat hier om de allerhoogste onderscheiding voor een heel oeuvre. Ik geef Brouwers helemaal gelijk. Zelf zou ik de prijs wel aannemen. Om de eer en voor de fooi.’
|