zaterdag 10 november 2007
Recensie: Rode regen van Cees Nooteboom
door Arie Storm voor Het Parool
Enkele malen benadrukt Cees Nooteboom in zijn nu net verschenen boek Rode regen - een bundel vol herinneringen en anekdotes - dat hij geen goed geheugen heeft. Tegelijkertijd constateert hij dat één van de eigenaardige dingen van het oud worden is dat 'zo ongeveer alles een herinnering oproept'.
Ja, ook voor Nooteboom beginnen de jaren te tellen: aantrekkelijke meisjes staan spontaan voor hem op in de tram (in plaats van dat ze woeste liefdesaffaires met hem beginnen), vrienden die jonger zijn dan hij, sterven en de op een avond genoten drank komt de volgende ochtend harder aan. 'Komt er iets voor in de plaats?' vraagt Nooteboom zich bijna vertwijfeld af. Hij geeft zelf het antwoord: 'In mijn geval een plotselinge terugtocht in de tijd.'
Nooteboom begint rustig. In het eerste stuk van Rode regen haalt hij herinneringen op aan nota bene zijn kat, Vleermuis (dat is haar naam). Die herinneringen doen enigszins lollig aan. Nooteboom stelt bijvoorbeeld vast dat hij niet echt weet wat in haar omgaat: 'Ze schrijft niet, neemt geen telefoon aan, en houdt geen dagboek bij.' Allemaal zaken die hijzelf wel doet of heeft gedaan! Als om dit te bewijzen citeert hij verderop in het boek zelfs uit zijn eigen oude dagboekschriften.
Het verhaal over Vleermuis eindigt treurig, met een soort in cursief gedrukt overlijdensbericht: 'De eeuwigheid van Vleermuis zou nog acht jaar duren.'
Iedereen gaat dood en geleidelijk krijgt Rode regen een niet te stuiten serieus karakter. Na de op schrift gezette herinneringen aan Vleermuis vertelt Nooteboom gedurende een bladzijde of zeventig over het Spaanse eiland waar hij een deel van het jaar woont, en dan vooral over de tuin die hij daar heeft. Over die tuin schrijft hij hartverscheurend prachtig.
Blader je snel door dit boek heen, dan zie je tekeningen van Jan Vanriet. Die begeleiden de tekst en bij dat snelle bladeren doen ze misschien een beetje kinderachtig aan. Maar dat is een vergissing. De illustraties versterken de tekst en al lezend en kijkend beland je in een soort eeuwig verleden. Want die tuin van Nooteboom is er weliswaar nog steeds - we lezen over het hier en nu - maar toch lijkt het alsof je wegglijdt in de tijd. Elke actualiteit verdwijnt. En daar dragen die nostalgisch stemmende tekeningen aan bij.
Vervolgens haalt Nooteboom herinneringen op aan zijn eerste reizen. Dat wil zeggen, voor zover dat lukt, want zelfs reisgenoten met wie hij toen intensief moet hebben opgetrokken, ziet hij nu niet meer voor zich: 'Ik sluit mijn ogen en zie niets.' Of zoals Nooteboom zich plotseling verbaasd afvraagt terwijl hij door zijn eigen dagboekaantekeningen bladert: 'Wie was Arthur Edell?'
Nooteboom demonstreert al doende op fraaie wijze dat wat hij heeft geschreven, als het ware het beleefde verleden heeft uitgegumd. Schrijven is geen vorm van herinneren, maar een vorm van vergeten.
En schrijven is een vorm van aanvullen. Uit een Engelse recensie - over welk boek die bespreking ging, weet hij kenmerkend genoeg niet meer - citeert Nooteboom een zin waarin wordt beweerd dat de waarheid omtrent het verleden, net als de waarheid aangaande de toekomst, uitsluitend verbeeld kan worden. Nooteboom voegt daaraan toe dat je voor verbeeld ook verzonnen kunt lezen.
Dat is het opstapje naar één van de sterkste stukken van deze bundel: Een ontmoeting in Recanati. Nooteboom verplaatst zich in dat verhaal helemaal in de huid en de gedachtewereld van de Duitse dichter, romancier en uitgever Michael Krüger. Die bestaat echt en Nooteboom is de Nederlandse vertaler van zijn poëzie.
Dit verhaal is een kolfje naar Nootebooms hand. Hier lopen waarheid en verdichting prachtig in elkaar over.
En dat gaat al met al eigenlijk voor het boek Rode regen in zijn geheel op. Dit is Nooteboom op zijn best, dit is Nooteboom zoals ik hem dolgraag lees en zoals ik hem iedereen kan aanraden.
Bij deze dus.
|