vrijdag 21 december 2007
Recensie: Held - Saskia de Coster
Door Daniëlle Serdijn voor De Volkskrant
Schoonheid kan op de raarste plaatsen huishouden. Neem Lien uit Held, de vierde roman van de alom bejubelde Vlaamse Saskia de Coster (1976). Lien steekt een doofstomme, blinde jongen een schaar in de bips, poert daar wat in het rond om hem aan het praten te krijgen, en wat merkt ze tot haar verrassing: ‘Hij sprak de mooiste taal en jammerde zachtjes.’
Je moet er oog voor hebben, voor zulk soort schoons. En een eigenzinnig karakter. Maar dat heeft de 9-jarige Lien wel. Zij ontdekt dat een goede vijand goud waard is.
Met ijzersterke eerste regels opent De Coster haar roman: ‘Er zijn mensen die als een belediging je leven binnenvallen. Kwelgeesten wier enige bedoeling het lijkt om tot het einde van je bestaan je struikelblok te zijn, de steen waaraan je je keer op keer zult stoten.’
Dat struikelblok heet Marcus, een kwetsbare, contactgestoorde klasgenoot. Zij noemt hem Misbaksel, en koestert hem. Hij laat zich alles aanleunen. Ze vormen een secuur opgebouwde twee-eenheid.
De Costers liefde voor duo’s bleek al uit vorige romans: Charlotte en Atlantis in Vrije val, Carl en Boris in Jeuk, Julie en Babs in Eeuwige roem. Steeds zijn het personages met contrasterende karaktereigenschappen, wat romantechnisch gezien altijd de mogelijkheid geeft tot fijne conflicten.
Toch bouwt De Coster het conflict niet verder uit, maar laat het daarentegen bestaan in die ene briljante vondst, namelijk dat je vijand je beste vriend is. In Lien voltrekken de tegenstellingen zich. Zij heeft haar vijand lief als een minnaar. Wanneer zij, jaren na hun kindertijd, Marcus weer opzoekt, bedenkt ze: ‘iemand doden was de intiemste daad’. En zo delft Misbaksel definitief het onderspit.
Een raar soort schoonheid kenmerkt de roman van De Coster. Grimmig, consequent, haast abstract, maar gevoelig in woorden. Het is het één, én het ander, een Magritte in taal: ceci c’est ne pas une pipe. Dat geeft spannend proza. Maar omdat De Coster zo jong is, schroeft het de verwachtingen voor een volgende roman verder op, en dan liever niet weer zo’n novelleformaatje van 120 bladzijden. Het echte werk moet nog komen.
|