vrijdag 21 december 2007
EXIT MARTIN ROS
door Martin Bril
Morgen kunnen we voor het laatst Martin Ros boeken horen bespreken bij de Tros. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het volume van de radio altijd een paar puntjes liet dalen als Ros aan het woord kwam, maar hij trok zich daar nooit iets van aan. Zelfs als ik de radio volledig tot zwijgen bracht, hoorde ik hem nog kakelen. Omdat hij er straks niet meer is, heb ik daar nu met terugwerkende kracht spijt van.
Martin Ros.
Ik ken hem niet alleen van de radio, maar ook uit de boekhandel. Daar kwam ik hem wel eens tegen. Een wonderlijke man, om niet te zeggen: een hele rare, rare man. Om te beginnen: het uiterlijk van een dakloze. Ten tweede: de stem van een kip zonder kop. Ten derde: de bezieling van een zendeling. Altijd maar boeken, boeken, boeken. Het is dat ik zelf ook van boeken houd, anders zou ik met een boog om Martin Ros heen lopen.
Een zonderling, dat is het woord.
Zijn plaats bij de Tros gaat bij toerbeurt worden ingenomen door vier jeudige literatuurkenners. Jeugdig wil in dit verband alleen maar zeggen dat ze jonger zijn dan Martin Ros, die tegen de 100 loopt en om die reden door de Tros de laan werd uit gestuurd. Je zou zeggen: uitgerekend de Tros is een omroep voor 100-jarigen, maar nee, dat vinden ze bij de Tros niet - daar gaan ze verjongen. En dus hebben ze hun oog laten vallen op krasse veertigers: Pieter Steinz, Aleid Truijdens, Arie Storm en Ingrid Hoogervorst.
Van mij mag het.
Zelf zou ik als literatuurcriticus niet de ambitie hebben om voor de Tros te werken, maar ik ben dan ook geen literatuurcriticus. Zo'n criticus moet op zaterdagochtend vroeg zijn bed uit en met de trein naar Hilversum, en ik kan lekker thuis in bed blijven liggen en de radio uitdoen als hij aan het woord komt. Het lijkt me duidelijk wie in het beste schuitje zit.
Aan de andere kant: ik leef ook wel mee met zo'n criticus: die doet toch maar mooi zijn best om prachtige boeken onder de aandacht van de massa te brengen, ik bedoel; ik heb wel eens in mijn pyjamabroek een ei staan bakken, terwijl Martin Ros een boek te berde bracht waar ik nog nooit van had gehoord en dat zelfs in de boekwinkel onbekend bleek toen ik het diezelfde ochtend nog wilde aanschaffen.
Wat me nou zo tegenvalt, alleen, is dat de Tros er geen wedstrijd van heeft gemaakt. Waarom kunnen wij als mondige luisteraars nou niet per sms en website onze stem uitbrengen op Pieter, Arie, Aleid of Ingrid? Waarom is er geen format bedacht waarin die vier giganten van de literatuurkritiek het tegen elkaar opnemen? Waarom zitten ze niet in een glazen huis of een gouden kooi? Slapen ze bij de Tros, of wat? Literatuur is oorlog, en anders moet je het er maar van maken.
Ach, Martin Ros.
Ik mis hem nu al. Hij was altijd zo enthousiast, je hoefde nooit op te letten. Hij vond alles goed, want hij hield van boeken en slechte boeken bereikten hem gewoon niet. Hij prees zijn boeken aan alsof hij stroopwafels op de markt verkocht, knollen voor citroenen en parels voor de zwijnen. Echte critici, saaie types per definitie, gemankeerde schrijvers, gaan nu zijn plaats innemen, bij toerbeurt, tot de Tros beslist wie Ros' uiteindelijke opvolger wordt. Maar ik wil op zaterdagochtend helemaal geen literatuurcritici horen - weg ermee. Ik wil gewoon het ware werk, Martin Ros zelf, een zonderling en liefhebber.
|