vrijdag 25 januari 2008
Recensie: Koetsier Herfst - Charlotte Mutsaers
door Arjan Peters voor de Volkskrant
En dan nu de toekomst in. Het roer moest om voor Charlotte Mutsaers. Nadat zij in de jaren tachtig en negentig haar eigen vorm had gevonden, tussen essay en verhaal in, om haar onvervreemdbare kunstopvatting uiteen te zetten en in één moeite door het resultaat daarvan te tonen, werd het tijd voor iets anders. Een consequentie van haar ideeën was immers dat zij ook zichzelf moest blijven verrassen.
Dat werd penibel, nadat ze met Zeepijn (1999) haar leven en afkomst nog eens had doorgenomen, met inspirerende uitstapjes naar talloze kunstenaars met wie ze zich verwant voelt. Dat boek leek een samenvatting, en nu Mutsaers acht jaar later in haar nieuwe roman een schrijver opvoert met een writers’ block, zou het goed kunnen dat de inzinking van deze Maurice Maillot niet uit de lucht komt vallen. ‘Dit boek bestaat uit ervaringsfeiten’, laat de schrijver in de introductie weten.
Ze had met gemak meer van hetzelfde kunnen maken, maar haar eigenzinnigheid verbood zulks. Dus wilde ze niet opnieuw terug naar haar jeugd, om de verdrietelijkheden van toen te verwerken, ze achteraf draaglijk te maken door ze om te smeden in welhaast martiale feestelijkheid. Haar pleidooi voor verbeelding en illusie, desnoods dwars tegen de modes en codes van de goegemeente in, was inderdaad zo ongeveer afgerond.
Maar levert die houding ook een program op waarmee je je als rijpere kunstenaar in de 21ste eeuw staande kunt houden? Hoe nu verder? Dat was de vraag waar Charlotte Mutsaers zich voor gesteld zag.
Ze verzon een list. Zo eentje die al haar vindingrijkheid weer op stoom zou brengen: de hoofdpersoon in haar verhaal werd een man, Maurice Maillot, een schrijver wiens beste boek na zijn vijftigste nog moet komen, een vleeseter met een hekel aan intellectuelen, die door de vondst van een mobieltje in het Vondelpark (Mutsaers houdt van het toeval, van wat je toevalt als je er niet op bedacht bent) in aanraking komt met een jonge blonde Betty Boop met goddelijke stelten en een Frida Kahlo-snorretje, die zegt dat ze Adolphe heet, wat waarschijnlijk Dora moet zijn, een dierenactiviste die Maurice meeneemt naar Oostende rond de kersttijd. Daar gaan ze hun wittebroodsweken vieren.
Maar terwijl in de voormalige koningin der badsteden de bevolking gehuld in bontjassen koers zet naar de gemoedelijke restaurants om zich daar op arme kreeften te storten, hult Dora zich in sexy latex, bivakmuts op de blonde kop, om als lid van het Lobster Liberation Front de boel op stelten te zetten.
Maurice leert ze intussen de geneugten van de vegaburger en een McPita, en eenmaal op de hotelkamer opent ze haar mond om een Golden Shower uit zijn mannelijkheid op te vangen. Vanaf het nachtkastje kijkt een foto van Osama bin Laden toe, ‘baard boven baard’, een beauty, met zijn zachtmoedige blik en dichterlijke inborst, zwijmelt Dora.
Ongepast? Incorrect? Ongeloofwaardig? Radicaal? Het is maar hoe je het bekijkt. De creatieve explosie die Koetsier Herfst heet, naar een melancholiek gedicht van die heerlijke Osama, een titel die ‘vitaliteit met vergankelijkheid verzoent’, is de halsstarrige verdediging van de stelling dat ‘er maar één realiteit is, die van jezelf’, en dat er achter de speelsheid en de onwil tot relativeren die het gedrag van Maurice en Dora kenmerkt, een groot medelijden schuilt met alles wat weerloos is, inzonderheid met de machteloosheid van dieren tegenover de zogenaamd verstandelijke mensen.
‘Radicaliteit bestaat niet’, houdt Dora haar schrijver voor: ‘Er bestaan alleen verschillende standpunten. Kijk maar naar de horizon. Bij het geringste sprongetje gaat hij al omlaag maar de lafaards durven dat sprongetje niet te maken.’ Er bestaat alleen rechtvaardigheid: ‘Is het leven in een klein lichaam minder waard dan in een groot? Dat zou je niet zeggen als je de gebrekkige ouderenzorg afzet tegen de overdreven aandacht voor couveusewormen. Dat zou je echt niet zeggen.’
Verwar daarom ook de lofzang niet die Maillot aanheft op de Nieuwe Leliestraat in de Amsterdamse Jordaan, waar het barst van de aanbiddelijke huisdieren, al dan niet in geborduurde vorm op kussens (‘een bonte kunstnijverheids-zoo, dat is het’) met ongevaarlijke leut. Het is niet minder dan een overlevingsstrategie, wat dacht u daarvan? Alleen door de ‘School des Levens’, de consensus, de goede smaak, de dwang van wat wel mag en wat niet is toegestaan aan je laars te lappen, maak je kans om je eigen illusies en overtuigingen gestand te doen.
Nieuw is het niet wat Charlotte Mutsaers demonstreert, maar onverminderd is haar strijdlust, en het vuurwerk van haar geen moment verflauwende proza werkt geregeld op de lachspieren: ‘Koffie?’, vroeg ze. ‘Graag.’ ‘Apfelstrudel?’ ‘Graag.’ ‘Melk in de koffie?’ ‘Graag.’ ‘Suiker erbij?’ ‘Graag.’ ‘Voor een schrijver’, zei ze, ‘is uw woordenschat tamelijk beperkt. Of bent u zenuwachtig?’ Dit soort dialogen durft het gros van Mutsaers’ collega’s, tuk op doorgewerkte dialogen die het aan natuurlijkheid ontbreekt, zich zelden of nooit te permitteren.
Zij trekt zich daar niets van aan – of nee, ze wordt door de conventionaliteit juist aangespoord het eens op háár manier te zeggen. En ieder die haar koddig of snoezig wenst te noemen, kan direct de mond spoelen. Bittere ernst is het, willen we dat wel geloven? Ja, ook als Maurice opmerkt dat je af moet blijven van een man die ligt te pitten in bed: ‘Dan doe je niet stiekem zijn broek omlaag om met je schalkse kop aan zijn zak te lurken.’ Zo is het toch zeker? Net zoals een vrouw let op een fijne geur als het eenmaal zo ver is, ‘als ze met andere woorden een brandschoon en geurig bedje spreidt voor het ejaculaat, dan getuigt dat van stijl, begrip en inlevingsvermogen’.
Zo kun je de herfst, ook de herfst des levens, met een gerust hart verbeiden. Want zo ben je gewapend tegen de terreur van middelmaat, die alle excentriciteit uit het bestaan probeert te bannen. Poëzie van een terrorist, sierkussens in de Jordaan, een mobieltje dat op de bodem van de Bloemgracht ligt en ruisend antwoordt als je het belt, een poedel die met zijn tongetje hulp verleent in het liefdesnest, een asbak in het wonderlijke James Ensor-museum in Oostende, het ‘clownsneusje’ van Do dat ze zielsgraag laat beplassen – het is helemaal niet raar, al is het misschien komisch; het wordt eerst en vooral zomaar mogelijk, het denkbare krijgt vleugels en bestaansrecht, in het mobiele circus van deze oorspronkelijke geest, die vanuit haar bonte koets met vertrouwen de winter tegemoet wuift.
|