vrijdag 15 februari 2008
Recensie: Vingers van marsepein - Rascha Peper
Door Arie Storm voor Het Parool
Meteen na het dichtslaan, of eigenlijk al tijdens het lezen van de nieuwe roman van Rascha Peper, Vingers van marsepein getiteld, zat ik met tegenstrijdige, verwarrende gevoelens.
Hoewel ik over het algemeen nogal mild ben, zat de scherpe literatuurcriticus in mij meteen klaar om nogal wat kritische kanttekeningen te plaatsen. Tegelijkertijd was echter een andere kant van mijn persoonlijkheid geactiveerd, een meer nostalgische, en die zat met een brok in de keel. Peper was er weliswaar niet in geslaagd mij in de geest zo'n driehonderd jaar terug in de tijd te verplaatsen, maar een decennium of drie had ze me wel laten overbruggen: ik voelde me alsof ik weer op de lagere school zat in de Schilderswijk in Den Haag; vaak zat ik toen weggedoken in een boek, alles om mij heen vergetend.
De ene helft van Vingers van marsepein is een historische roman; dat zijn de oneven hoofdstukken. Die spelen zich af in 1704. De aandacht is gericht op de tienjarige Bregtje, die na de dood van haar ouders en haar broer is opgenomen in het gezin en de entourage van de bekende anatoom (zeg maar: ontleedkundige) Frederik Ruysch. Bregtje heeft zo haar zwaarwegende redenen om wetenschappelijke geheimen van haar oom te verraden aan een concurrent van hem. Zij voelt zich daar schuldig over. Uiteindelijk komt alles goed. Ik zeg dat maar meteen, want werkelijk spannend wordt deze hele geschiedenis toch nooit.
Er is iets wat nogal opvalt aan dit deel van het boek. Overzeese auteurs als John Banville en Peter Ackroyd hebben het genre van de historische roman bevrijd uit duffe clusters en er een meer dynamische inhoud aan gegeven. Het heeft er alles van weg dat Rascha Peper deze ontwikkeling volledig heeft gemist.
En dan is er het taalgebruik van Peper. Personages zeggen allerlei dingen verbijsterd, verontwaardigd of beledigd. Er zijn hysterische zinnen. Soms zijn die zinnen zelfs uitgesproken raar: 'Ze liet zich op haar stoel vallen, sloeg haar handen voor haar ogen en liet een vloed aan brandende tranen in haar handpalmen druppen.' De eigenaardigheid zit hier onder andere in de tegenstelling tussen vloed en druppen. Verder wemelt het van die rare ouderwetse kinderboekendingetjes: personages vragen bijvoorbeeld dingen 'als uit één mond'. Of ze vliegen kamers in en uit. Niet echt, natuurlijk, want dat is meer iets voor Harry Potter, nee, die uitdrukking is bedoeld om de snelheid van hun lopen aan te geven.
In het andere deel van de roman (de even hoofdstukken) is het driehonderd jaar later. We zitten dan aan het begin van onze eigen 21ste eeuw. De tienjarige Benjamin woont met zijn moeder aan de Bloemgracht, recht tegenover het huis waar Bregtje eens woonde, maar dat weet Benjamin (nog) niet. In de loop van het verhaal raakt Benjamin bij toeval geïnteresseerd in het werk van Frederik Ruysch.
Toch vormt dit gegeven niet de hoofdmoot van dit deel van het boek. Veel belangrijker zijn de problemen van Benjamin op het huiselijk vlak: zijn ouders zijn gescheiden, zijn vader heeft een kekke nieuwe vriendin, zijn moeder is een afgetobde sloof en is bovendien nog lang niet over de dood van haar andere kindje heen, een dochtertje. En - o ja - Benjamin wordt gepest op school.
We zitten hier kortom helemaal in het genre van het jeugd- of kinderboek waarin allerlei 'herkenbare' problemen worden behandeld. Wat het taalgebruik betreft, kan Peper ook in dit deel overigens wel een oppepper van iemand als Carry Slee gebruiken (een stijlvirtuoos in vergelijking met Peper).
De avonturen van Bregtje en Benjamin raken elkaar overigens nooit echt.
En toen zat ik dus ineens toch met een brok in mijn keel. Ja, Peper heeft een kinderboek geschreven dat dertig, 35 jaar geleden niet of nauwelijks zou zijn opgevallen en dat nu hopeloos gedateerd aandoet. Dat stemt nostalgisch. Wellicht is dat ook een verdienste.
|