dinsdag 11 maart 2008
Nederlandse literatuur is niet sexy genoeg voor een Nobelprijs
Door Hans van Willigenburg voor De Pers
Oude schrijvers genoeg in Nederland. Een Nobelprijs voor de literatuur zijn ze ook best waardig. Waarom wordt er dan niet gewonnen?
Harry Mulisch, Hella Haasse, Hugo Claus, Cees Nooteboom, Remco Campert. Geen van deze ‘grote namen’ zou vanuit artistiek oogpunt misstaan als Nobelprijswinnaar. En dan hebben we het niet eens over W.F. Hermans, Jan Wolkers en Gerard Reve: literaire mastodonten die inmiddels in hun graf liggen en voor wie de prestigieuze prijs helaas één van de dingen werd die aan hen voorbijgingen.
Hoe is het mogelijk dat de Nobelprijs voor literatuur nu al een eeuw lang de Nederlandse letteren passeert? Is ergens een zwakke plek aan te wijzen in onze thematiek, die ervoor zorgt dat we steeds weer misgrijpen? Of moeten we het platter zien en denken aan een internationaal, politiek steekspel waarin schrijvers en overheid niet slim of ambitieus genoeg opereren?
Van de laatste winnaar, de 88-jarige schrijfster Doris Lessing, kunnen we leren dat je boeken eerst stevig in het geheugen van de literaire jury in Stockholm terecht moeten komen, ook al is het in negatieve zin. ‘In de jaren zestig kreeg ik te horen dat ik de Nobelprijs nooit zou winnen’, zei de feministische Lessing in een eerste reactie op haar verrassende onderscheiding. ‘De juryleden zouden een hekel aan mij en de inhoud van mijn werk hebben. Vandaar dat ik mijn oren nu zo moeilijk kan geloven.’
Volgens columnist en criticus Max Pam moet ons land structureel opboksen tegen een aantal fikse vooroordelen. En is de kans om op het radarscherm te verschijnen voor Nederlandse auteurs minimaal. ‘In Noorwegen en Zweden vinden ze Nederland om te beginnen een sukkelig land,’ zegt hij. ‘En het vervelende is: als je onze literatuur erop naslaat, struikel je over de boeken die dat vooroordeel bevestigen. Wij grossieren in wat ik noem sneue Carmiggelt-literatuur. De pechvogel is toch wel het meest typerende personage dat je in onze letteren tegenkomt.’
Pam beweert ooit een ontmoeting te hebben gehad met één van de juryleden van het beroemde comité. De inhoud van die conversatie geeft de burger weinig moed: ‘Het gesprek kwam op de roman Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Nog los van de literaire kwaliteiten is dat boek qua thematiek een samenballing van waar het misgaat met onze literatuur. Mislukking. Toeval. Miscommunicatie. Onzekerheid. Dat zijn geen steekwoorden waarmee je indruk maakt bij het Nobelcomité. Bovendien valt in die roman uitgerekend het Noorse personage Arne Jordal van een berg, dus dat helpt ook al niet.’
Ondanks het feit dat de juryrapporten geheim zijn en de taaie procedure richting de winnaar lang en ondoorzichtig is, worden zinsneden uit het rapport bij de bekendmaking vrijgegeven. Zo mocht Lessing zich kronen met de omschrijving ‘heldendichter van de vrouwelijke ervaring, die met scepsis, vuur en visionaire kracht een verdeelde beschaving aan een onderzoek heeft onderworpen’. Dat klinkt nogal bombastisch en grotesk, maar geen nood: je kunt ook voor kleinere bijdragen aan de geschiedenis in de prijzen vallen, zoals de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Zij mocht in 1996 naar Stockholm vanwege ‘poëzie die met ironische precisie de historische en biologische context laat oplichten in fragmenten van menselijke realiteit’.
Zulke loftuitingen moeten met een beetje fantasie toch ook voor Nederlandse schrijvers te componeren zijn? ‘Monumentale woordschilder die het verdriet van zijn vaderland in wervelende streken heeft opgetekend.’ (Hugo Claus). ‘Stoutmoedige plotbouwer die de wereld van verbeelding en wetenschap op fascinerende wijze heeft samengebracht in het laboratorium van de literatuur.’ (Harry Mulisch). ‘Flegmatiek stilist die de condition humaine naar een ongekend niveau van gespeelde nonchalance heeft getild.’ (Remco Campert).
Toch zou het overdreven zijn als de Nobelprijs voor literatuur een obsessie wordt voor de oudjes in onze literatuur, meent Pam.
‘Laten we eerlijk zijn: als je de lijst met winnaars langsgaat, kom je meer slechte dan goede auteurs tegen. Je hoeft de namen Philip Roth en Vladimir Nabokov maar te laten vallen om te weten dat je als niet-winnaar je in zeer goed gezelschap bevindt. Al blijft het pijnlijk dat zelfs IJsland met Halldór Laxness al ruim vijftig jaar een gelauwerde schrijver heeft, en wij nog niet.’
|