maandag 5 mei 2008
Recensie: De wet van Spengler - Jaap Scholten
Door Daniëlle Serdijn voor de Volkskrant
Jammer, dachten we, toen Jaap Scholten naar Hongarije vertrok. Waarom vertrekken als je zo’n verpletterende roman als Tachtig (1995) had geschreven? Er waren er voor minder thuisgebleven.
Scholtens tweede boek, Morgenster (2000), liet lang op zich wachten. Nu was dat wachten de moeite waard, maar waar ging het heen met Scholten? Was hij van plan de schrijverij serieus te nemen, of verkwanselde hij zijn talent, zoals een rijkeluiszoontje het familiekapitaal?
Nu en dan publiceerde Scholten brieven en columns in NRC Handelsblad en het treinmagazine Rails, maar of het ooit nog tot een roman zou komen, bleef de vraag. En plots was daar de aankondiging van een nieuwe Scholten. Spannend, want wat zou de schrijver daar in de bossen van Hongarije hebben verzonnen?
De dood van zijn broer inspireerde hem tot het semi-autobiografische De wet van Spengler . Het laat zich lezen als het vervolg op Tachtig. Opnieuw volgen we Frederik, telg uit het textielbaronnengeslacht, alleen dan twintig jaar later. Richtte de Frederik van toen een twaalfgangen diner aan om de verjaardag van een van de honden te vieren, die van nu heeft enige afstand genomen van z’n familie. Maar geconfronteerd met een familiedrama ontdekt hij dat, als het er werkelijk op aankomt, de Spenglers één zijn. Als ware musketiers.
Met z’n echtgenote en hun drie kinderen heeft Frederik zich gevestigd op het platteland van Roemenië. Wanneer hij hoort dat zijn oudste broer, Julius, een kankergezwel in het hoofd heeft, en daarop overlijdt, daalt Frederik af in de herinnering. Het begint in de jaren zeventig, toen Frederik en zijn broers in het zuiden van het land woonden.
Vijf jongens zijn het, en Frederik is de op een na jongste. Vader sterft onder vage omstandigheden: hij valt van een brancard. Hierop besluit moeder haar jongens op de trein te zetten, naar opa en oma, zodat zij de boel op orde kan krijgen. Zo komen ze, onder leiding van Julius, aan op het landgoed van hun grootouders, de Spenglers. ‘Opa en oma waren van de generatie die de gewoonte had vanaf vier uur ’s middags whiskys, gin-tonics of portjes te drinken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gerookt, opa sigaren en pijp, oma Lucky Strikes, en de asbak in de auto stond bol van de peuken en as.’ Andermaal lezen we over de verdwijnende wereld van ouderwetse grootindustriëlen, waar tradities van belang zijn. De broers hebben er een geweldige tijd. Met merkbaar genoegen vertelt Scholten over de drijfjachten die grootvader Spengler organiseert, en ook over diens liefde voor Jaguars, Porsches en Mercedessen. Alles bij elkaar een cultuur die de sfeer ademt van adel, waarbij bepaalde zeden en een uitgesproken hiërarchie bestaan om bescherming te bieden aan mensen, dieren en omgeving. Noblesse noblige.
Sterker nog dan in z’n vorige romans tekent Scholten een levenshouding waaraan niet te ontsnappen valt. Frederik merkt daarover op: ‘Ik kon naar de andere kant van de wereld verhuizen, in een holle boom bij de Papoea’s gaan wonen en de rest van mijn leven eiwitrijke wurmen op mijn tong laten smelten, mijn genen en ingesleten hebbelijkheden bleven me verraden’.
Scènes van het ziekbed van broer Julius worden afgewisseld met herinneringen aan de jeugd. Hoe zieker Julius, hoe sterker de familieverhalen.
Maar het zijn mooie verhalen waarin opvalt hoe masculien alle beschreven usances zijn. Lijfelijk contact bijvoorbeeld; daar moeten de jongens niets van hebben. Hoogstens ‘een soort van Soprano-hug’. Meer niet. Huilen doen ze niet. Over gevoelens praten evenmin. ‘Wat niet betekende dat we monsters waren, we wilden het er gewoon niet over hebben. Punt.’
Liever praten ze over beren vangen, grote vuren maken, en over de bergen intrekken. Met de dood in het zicht komt paradoxaal genoeg, de man, de oerman, meer en meer tot leven. Voor het laatst maakt Julius, geholpen door de broers, nog eenmaal een groot paasvuur. Daarna is het gauw afgelopen.
Aangevuurd door de dood van zijn broer, en vastgeklonken aan de mores van het Twentse voorgeslacht, kon Scholten bijna geen mooiere roman schrijven dan deze. Het is zijn verbeelding van de man in optima forma, een ode aan het masculiene, en daarmee alles wat een grote broer voor een kleine kan zijn.
De wet van Spengler is het serieuzere equivalent van de oerman in de Bavaria-commercial. Een actueel thema, zo blijkt uit tal van publicaties. Al zit hij ver weg in de Hongaarse bossen, dát heeft Jaap Scholten toch maar fijn in de gaten gehad. (uit de Volkskrant)
|