door Janet Luis voor het NRC Handelsblad
De televisie stond aan. Ik hoorde een bekende stem, die op geanimeerde toon iets aan het vertellen was. Het was Adriaan van Dis. Hij zag er wat brozer uit dan ik mij hem meende te herinneren, en in zijn haar zat minder krul, maar verder leek hij zijn vertrouwde zelf: vaderlijk en jongensachtig tegelijk. Geaffecteerd, maar ook ontwapenend gewoon. Hij praatte zoals hij ook altijd schrijft, in heldere, toegankelijke, schijnbaar moeiteloze zinnen. Op een tafeltje lag de aanleiding tot het gesprek:
Leeftocht, een baksteenachtig boek, waarin Van Dis de beschouwingen, reportages en losse verhalen bundelde die hij de afgelopen 40 jaar schreef voor kranten en tijdschriften.
In een poging het dikke boek kernachtig samen te vatten, kwam de interviewer met het woord schaamte. Van Dis was meteen bereid om te verklaren dat hij zich als kind vaak had geschaamd. De lezers van
Nathan Sid (1983),
Indische duinen (1994) en
Familieziek (2002) zullen hier niet van opkijken. Het gevoel anders te zijn dan anderen, met drie bruine halfzusjes, een vader met een kampsyndroom en opgroeiend in een huis met drie andere, gerepatrieerde gezinnen, is sterk aanwezig in deze romans. Ook in
Leeftocht komt het buitenstaander-idee royaal aan bod, vooral in de stukken waarin Van Dis schrijft over zijn geboortedorp Bergen aan Zee.
Ik heb er bij het lezen op gelet of schaamte inderdaad zo’n beslissende rol speelt, maar het viel mij niet op. Eerder is het omgekeerde het geval. Hier is iemand aan het woord die mij de schaamte juist voorbij lijkt. Onbekommerd en met veel smaak vertelt hij over zijn angsten en vrezen, over zijn voortijdig gestaakte wereldreis, over zijn agressieve vader, over zijn uitzonderingspositie als ‘het roze biggetje’ van de familie, over zijn woordblindheid, die zijn kordate stijl heeft bepaald en over zijn generatiegenoten die meer begaan lijken met koopsompolissen dan met de medemens. Ook schrijft hij veelvuldig over zijn eigen verhouding tot die medemens. Hij is begaan met iedereen die anders is en om die reden wordt achtergesteld.
Onder de noemer
Afrika vinden we de reisverhalen en reportages die Van Dis, naast boeken als
Het beloofde land (1990) en
In Afrika (1991), schreef naar aanleiding van zijn bezoeken aan Nigeria, Senegal, Zambia, Botswana, Malawi, Zaïre en vooral Zuid-Afrika. Als hij in een van die beschouwingen vaststelt dat maar 9 procent van de wereldbevolking blank is, terwijl het mondiale denkpatroon door die minderheid wordt bepaald, steekt hij de hand in eigen boezem.
Hij vraagt zich af in hoeverre hij zelf profiteert van andermans gebrek en of hij voor dat gebrek persoonlijk verantwoordelijk mag worden gehouden.
Op die laatste vraag geeft hij antwoord in zijn roman
De wandelaar, die zich in Parijs afspeelt en die eerder dit jaar verscheen. Hoofdpersoon Mulder zien wij gaandeweg, in het kielzog van een bijzondere hond, veranderen van een bange rentenier in een man die oog krijgt voor de noden van de zwervers, illegalen en vluchtelingen in zijn directe omgeving. Aan het eind van de roman, als hij zich heeft ingespannen voor een Chinees, een Sri Lankese en een man uit Tsjaad, stelt hij tevreden vast dat hij zich niet helemaal onbetuigd heeft gelaten: ‘Veel is het niet, maar wel iets.’
De charme van
Leeftocht zit voor een deel ook in dat ‘iets’, dat net het verschil kan maken. Er komt veel in aan de orde.
De vele verhuizingen van Van Dis, het boekenprogramma dat zijn naam ooit vestigde, zijn studie Afrikaans en zijn hang naar schoonheid. Steeds doemt daarachter de grote, boze wereld op met zijn oorlogen, aids-epidemieën, overstromingen, apartheidspolitiek, terreuraanslagen en milieuproblemen. Van Dis weet zijn toon licht en luchtig te houden, zijn handelsmerk, maar lang niet al zijn reportages stemmen vrolijk. Van het interview met de Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach uit 1982 zal mij vooral bijblijven dat er ononverkomelijke verdeeldheid heerste tussen zwarte en witte bestrijders van de apartheid. De ontmoeting die Van Dis in 1989 had met bosjesmannen in Botswana, in de hoop dat ze nog steeds ‘in volstrekte harmonie’ met de natuur zouden leven, verliep teleurstellend. De bosjesmannen bleken minder onthecht dan verwacht en zetten het op een zuipen zodra hun een gelegenheid werd geboden. Een gesprek met vroegoude zwerfjongeren in Durban, Zuid-Afrika, in 2007, geeft al evenmin reden tot blijdschap. Van deze kinderen, zo valt te vrezen, zal waarschijnlijk niets terechtkomen, ook al bezoeken ze een soort school. Tenzij ze misschien, net als Van Dis zelf ooit, hun ellende en hun schaamte over die ellende te boven weten te komen door erover te gaan vertellen.
Dat lijkt me de uitkomst van deze bundel.
Van Dis haalt zijn leeftocht, zijn geestelijke voedsel, uit de wereld die hij de afgelopen 40 jaar heeft bereisd, maar vooral haalt hij die ook uit zichzelf, uit zijn drang om te vertellen. En zo kan hij op zijn 61ste opgewekt vaststellen dat hij optimistischer is dan ooit. Een zelfverkozen buitenstaanderschap stelt hem in staat zichzelf al schrijvend uit te tillen boven de misère van alledag. Dat klinkt aanstekelijk. Het is ook precies de kracht van Leeftocht , waarin Van Dis naarstig op zoek blijft naar lichtpuntjes, naar wat hij ‘een bezielde wereld’ noemt, en waarin taal een beslissende rol speelt.
Net als in zijn verhalen en romans keert hij ook in zijn beschouwingen regelmatig terug naar zijn geboorteplaats, waar hij door die zo moeizaam verworven taal werd aangestoken. Hij ziet Bergen aan Zee als zijn ‘letterbron’.
‘Als ik schrijf zie ik kleuren, hoor ik stemmen en klanken in mijn hoofd’, merkt hij op, ‘maar als ik mijn geboortedorp Bergen tot onderwerp neem [...], dan breekt er een waar pandemonium los.’
Zelfs in Parijs, waar hij in 2003 ging wonen en waar hij naar eigen zeggen door schoonheid wordt omringd, heeft hij nog wel eens heimwee naar ‘de geelgroene duinen’ en naar ‘het schrikbewind van de Noord-Hollandse wolken’. Met het echte dorp houdt het pandemonium in zijn hoofd intussen weinig verband. Dat is, zo bleek Van Dis, toen hij het een paar jaar geleden weer eens bezocht, ‘te lelijk voor woorden’. Het is het dorp ‘onder mijn schedeldak’ waar het allemaal om draait. Ook de liniaal waarmee zijn snel aangebrande vader het alfabet er bij de kleine Ad inramde, zal wel met enige literaire distantie moeten worden bezien.
Als wij Van Dis mogen geloven, werkten de taallessen van vader averechts, want hij leerde zijn zoon verkeerde, veel te ouderwetse woorden, een verkeerd, want schuin handschrift en een verkeerde, want Indische klemtoon. ‘En toch’, zo schrijft hij in 2003, ‘heeft hij op mij als leermeester de grootste invloed gehad. Misschien omdat hij aan tafel zo geweldig vertellen kon.’
Ere wie ere toekomt. Want het is het inderdaad geweldige verhaal van deze vader, in drie bladzijden naverteld door zijn zoon, dat mij he tmeest trof van allemaal.
De vader, ooit kapitein van de Neel Compaen, herinnert zich hoe hij op een regenachtige, winderige dag, ongeveer een jaar voor de geboorte van Adriaan, uitgleed op het glibberige dek en overboord sloeg. En hoe hij vervolgens werd opgepikt door een zeeschildpad die hem tussen de haaien door veilig terugbracht naar het schip, waarna het trouwhartige dier een nóg grotere reddingsactie beraamde.
Een geestige, ontroerende en hoogst onwaarschijnlijke geschiedenis:
te mooi om niet in te geloven.