"Was alles maar konijnen" - Renske de Greef
Ik wilde altijd iemand zijn die avondwandelingen maakte. Iemand die in een rustig tempo voortliep, genietend van maan, stilte en de koude wind die de geur van natte bladeren tegen je wangen aanblies. Mensen die van avondwandelingen hielden leken me evenwichtige mensen, mensen die het kleine in het leven konden waarderen. Ik wilde heel graag iemand zijn die het kleine in het leven waardeerde.
Nadat ik een sigaret heb gerookt, pak ik mijn jas en loop naar buiten. Nu ik in een nieuwe buurt woon, ben ik avondwandelingen gaan maken, nachtwandelingen eigenlijk. Lange dwalingen, die niets weg hebben van mijn beeld waarin de nachtwandelaar onder de ritmische cadans van zijn stappen zijn leven overdenkt. Mijn wandelingen zijn verree van geruststelend, als een rusteloze, mottige vampier word ik door mezelf de straat op gejaagd, blijf ik rondlopen, zoekend naar iets onduidelijks, me enkel bezighoudend met de mensen en de dingen om me heen. Het is nooit zo dat mijn gedachten plotseling geordend op hun plek vallen. Ik blijf schrikken van kermende kiezelstenen onder mijn voeten of schurende struiken wanneer er geen wind is, van elk gebogen hoofd dat langskomt verwacht ik half en half dat als hij zal opkijken zijn tanden en ogen net zo zullen schitteren als het mes dat hij zwijgend voor me zal heffen. Soms bedenk ik me wie ik zou bijten als ik wel een vampier was (vrouwen, altijd vrouwen, het liefst ongelukkige vrouwen, vrouwen die alleen en dronken op een bankje zitten, vrouwen die naast een man lopen zonder naar hem te luisteren, en blonde vrouwen, ik wil alleen maar blonde vrouwen bijten. In hun nek, en dan het zoete warme bloed traag uitzuigen, langzaam maar gestaag, neutraal voor je uit kijkend, alsof je dorst hebt en het je laatste Fristi is.)
Eigenlijk is er niks eenzamer dan alleen door een onbekende buurt of stad dwalen waarvan je weet dat hij nu de jouwe is: je kan niet terug naar huis gaan - dit is nu je huis.
Ik bepaalde mijn reizen op nieuwe plekken door een willekeurig links of rechts, na één links bij de volgende splitsing weer kiezend, voor rechts, en dat zo afwisselend. Ik bevond me opeens in metrostations, waar ik. vochtige regenjas tegen vochtige regenjas stond met mannen die net van hun werk kwamen en in het gedrang krampachtig hun koffertje omklemden als hun laatste houvast. Ik stapte in trams waarvan ik niet wist waar ze naar toe gingen en eindigde in groezelige buitenwijken vol betonnen flats en afgeragde voetbalveldjes. Terwijl ik dwaalde door de klinisch aangelegde parkjes voor de gebouwen viel de schemering in, en toen ik omhoog keek en de rijen verlichte ramen zag, was ik opeens bang om verkracht te worden. Verkracht te worden terwijl die duizenden ramen als anonieme ogen op mij neer zouden kijken, dat ze toekeken maar niets deden. Ik was nog nooit eerder bang geweest om verkracht te worden.
Ik bekeek mezelf in etalages en staarde lang naar mijn eigen bleke hoofd. Het was winter en het werd vroeg donker, winkeliers kwamen naar buiten en vroegen me weg te gaan voor hun ruiten: ik was even vergeten dat de spiegeling alleen van buiten te zien was. Voor hen zag het eruit of dat stille, starende meisje, bleek met grote ogen en een omlijsting van lichtbruin haar, ze aankeek en een soort horrorfilm probeerde na te spelen.
Avondwandelingen passen nauwelijks bij de buurt waar ik nu in woon, die schraal en anoniem is, verlaten straten die je een moedeloos gevoel geven als je erover dwaalt. Op de straat, die vettig glanst, loopt een reiger.
Al lopend passeer ik kleine groepjes mannen in dikke winterjacks. Hun zwarte krullen glanzen in het licht van de straatlantarens. Ze zwijgen als ik voorbijloop. Ik denk graag dat mijn buurt niet gevaarlijk is, als je je maar met je eigen zaken bemoeit en mensen niet al te lang aankijkt. Het is een lastige theorie, denken dat mensen alleen ongevaarlijk zijn als je ze niet te lang aankijkt.
Het dwingt je min of meer altijd naar je voeten te kijken. Ik hou niet van naar beneden kijken als ik loop, het maakt me duizelig. Dus in een schamel compromis fladdert mijn blik neurotisch langs gezichten. Soms, 's avonds laat, zie ik mensen rennen, met opwaaiende jaspanden en gejaagde blikken, of rijden er politieauto's met gedoofde lichten langzaam door de straten. Eén keer is me ' s avonds laat bij een snackbar base aangeboden. Ik wilde geen base, ik wilde een patatje-met. De man haalde zijn schouders op en liep verder.
Een van de plekken die het best bij een nachtwandeling passen is het park in mijn buurt. Er is een vijver in het midden waar bij de oevers grote vlokken geel schuim op drijven. Het ruikt in de buurt van de vijver altijd naar die onmiskenbare mengeling van lijk en mos, de geur die zou passen bij diepe donkergroene poelen waar bleke meisjes in wonen, met witte ogen en bedekt met het wier dat wuift als ze bewegen. Er is minder wind dan ik dacht, en de lucht heeft dat scherpe, knetterende van een goede winterlucht. Ik loop langzaam een rondje om de vijver, kom langs de speeltuin, langs de fontein. Normaal fietsen hier mannen, zo langzaam als ze maar kunnen zonder om te vallen. Hun bewegingen zijn traag, hun ogen hongerig en zoekend. Mijn avondwandelpark is namelijk een cruisegebied. Zoals bijna elk plukje bos of park inmiddels overgenomen is door buitenseks. Vroeger waren bossen plekken waar elfenbankjes groeiden en waar je hoopte op een flits konijn of kabouter. Plekken die Goed waren, met zwarte bramen en paardenhoefafdrukken in het zand, waar het naarste wat je kon overkomen was dat je zag hoe een tor een mierenheuvel in gedragen werd. Nu kan ik de zwijgende mannen in auto's aan de randen van het bos niet meer negeren, overal waar er iets van beschutting is; ontstaan de broeierige ontmoetingsplaatsen waar mannen zwijgend in auto's wachten, langzaam op fietsen peddelen of voor zich uit staren op bankjes. Bomen zijn slechts een verhulling, een decor, nooit meer het doel.
Ik loop langzaam door het park, waar gevulde condooms als vlaggetjes van een kinderspeurtocht hangen te wapperen aan de takken. Ik denk op momenten zoals deze, de paadjes kiezend waar geen lantaarnpalen meer zijn en waar het zo donker is dat ik niet goed kan zien waar ik naar toe ga, dat ik alleen het grind onder mijn voeten hoor knarsen en vaag de contouren zie van begroeiing links of rechts van me, aan de andere kant het water, dat stil en rimpelloos ligt te wachten, op momenten zoals deze denk ik vaak aan het politierapport dat van me gemaakt zal worden mocht ik straks op brute wijze vermoord worden.Vrouw, 23 jaar, 1,75, 60 kilo, blond haar (peroxide, natuurlijke haarkleur lichtbruin), groene ogen. Kleding: leren jas, spijkerbroek, gymschoenen. Gevonden in park door twee joggers (zie getuigen.) Lag naast de bosjes aan oostzijde, gespreide armen. Doodsoorzaak:,Gewurgd met een stuk flosdraad. Flosdraad kort daarvoor gebruikt (zie bewijsmateriaal.) Verbaasde, maar serene uitdrukking op gezicht. Eén tas gevonden, wit, van leer. Inhoud: één mobiele telefoon. Eén pakje roze bubbelkauwgom. Verder leeg. Slachtoffer had '1 Feel Love' van Donna Summer op repeat aan op Ipod. Dader opgepakt, naam: Ton. Verward. Zegt in het park te wonen. Motief: Het slachtoffer 'stoorde hem tijdens zijn dagelijkse hygiëne-onderhoud.' Ik heb niet echt 'I feel love' op repeat staan. Maar ik hoop dat als ik gewurgd wordt met een stuk net gebruikt flosdrad, en ik luister naar muziek, dat ze zullen proberen erachter te komen welk nummer ik hoorde toen Ton achter me kwam staan en het snijdende draadje om mijn nek heen sloeg.
Was alles maar konijnen - Renske de Greef Uitgeverij Meulenhoff, Paperback, 243 Pagina's ISBN10: 9029080450, ISBN13: 9789029080453
|