Fragment uit "De hartstlag van de aarde" - Arthur Umbgrove
Op het gymnasium had ik een aantal vrienden gemaakt die ik bleef zien nadat ik naar Leiden was vertrokken. We spraken elkaar in de weekends als we alle drie in Maastricht waren in café Metropole aan het Vrijthof en wisselden stoere verhalen uit over ons leven in de ‘echte’ stad: Johan was naar Utrecht gegaan, Frans en Geerten studeerden in Amsterdam.
Regelmatig nam een van ons weer een vriend of vriendin mee, zodat het groepje na enige tijd uit acht of negen man bestond. Geerten kwam vaak met zijn jongere zusje Cecile.
Ik kende haar al omdat we in hetzelfde groepje zaten dat dansles kreeg bij Bernaards. Geerten en zij behoorden tot een vooraanstaande Maastrichtse familie: hun vader was een gerenommeerd notaris en hun grootvader was burgemeester van Maastricht geweest. Samen met hun ouders en twee zusjes woonden ze in een statig huis aan de Witmakerstraat, vlak bij het huis van mijn moeder.
Wat het meest aan haar opviel was haar houding: ze had een kaarsrechte rug. Het gaf haar iets statigs, iets onaanraakbaars. Iets buitengewoon aantrekkelijks. Haar hele verschijning – het opgestoken haar, haar scherpe neus, de lange rokken van Engelse makelij – ademde de geur van bourgeoisie. Van soirees en high tea’s; van ’s avonds aan tafel Frans spreken.
Ik was tijdens mijn middelbareschooltijd heimelijk verliefd op haar geweest, maar veel te verlegen om haar dat te laten blijken. Nu ik eenmaal student was had ik daar minder moeite mee. Ik weet niet of het studentikoze overmoed was of dat ik minder te verliezen had omdat ik toch weer terugging naar Leiden, maar feit is dat ik af en toe haar blik durfde te vangen en haar dan langer dan gebruikelijk aankeek. Ook probeerde ik naast haar aan tafel plaats te nemen zodat wij met elkaar konden spreken. Ik kreeg de indruk dat zij het ook prettig vond.
Tijdens de eerste zomervakantie gedurende mijn studententijd, die ik in z’n geheel in Maastricht doorbracht, spraken mijn vrienden en ik gemiddeld twee keer per week af en het viel me op dat zij er dan altijd bij was. Ik begon zelfs te vermoeden dat ik de reden was van haar komst.
Het feit dat we elkaar alleen maar in gezelschap van anderen zagen, maakte haar nog begeerlijker. Zoals ze met haar vriendinnen aan kwam lopen over het Vrijthof als wij koffie zouden gaan drinken en ik al een kwartier te vroeg op het terras zat; zoals ze in gesprek met een vriendin een blik op mij wierp; zoals ze terug naar huis lopend met haar broer zich nog een keer omdraaide: het maakte het allemaal ondraaglijk en tegelijk heerlijk.
Dat het ernst was merkte ik aan het feit dat ik mijn belangstelling voor andere zaken begon te verliezen.
In het begin lukte het me nog om als geneesmiddel een wandeling door de vrije natuur te maken of ’s nachts de heldere sterrenhemel te aanschouwen en me te verdiepen in wat ik zag.
Maar na enkele dagen hielpen deze afleidingsmanoeuvres niet meer en kon ik de hele dag niet anders doen dan aan haar denken. Mijn aandacht voor alles wat mij vroeger bezighield verslapte; mijn denken werd trager. En er gebeurde wat ik nooit voor mogelijk had gehouden: ik stopte met lezen.
Ik verlangde er hevig naar alleen met haar te zijn, maar durfde haar dat niet te vragen. Pas toen ik me realiseerde dat mijn vakantie al op de helft was en ik nog maar drie weken had alvorens ik terug zou keren naar Leiden, begreep ik dat ik iets moest doen. Natuurlijk, ze wist allang wat ik voor haar voelde – het viel niet te ontkennen – , maar het was aan mij om het uit te spreken; om het te bevestigen. Ik besloot haar een brief te schrijven.
Misschien vond ik ook toen al dat iets pas bestond als het op papier gezet was. Maar waarschijnlijker is dat ik te bang was om het haar te zeggen.
Uren zat ik op mijn kamer en probeerde ik om mijn gevoelens onder woorden te brengen, wat me toen al niet goed afging. Ik verscheurde het ene na het andere papier. Hele inleidingen schreef ik: dat ik sinds ik terug was in Maastricht geen nacht meer goed had geslapen en dat ik alleen nog maar aan haar kon denken. Ik schreef een verhandeling over de twee soorten van liefde die een man kan voelen: instinctmatige liefde en esthetische liefde. Ik beschreef mijn visie op onze toekomst: hoe zij mijn vrouw zou worden en ik haar mee zou nemen naar verre landen om daar onderzoek te doen en hoe zij daar hele dagen aan een strand zou zitten. Maar uiteindelijk besloot ik maar zes woorden op papier te zetten:
Hierbij verklaar ik je mijn liefde.
Ik deed het briefje in een envelop, schreef haar naam erop en besloot op de hoek van de Witmakerstraat met de Hondstraat te wachten tot zij met haar broer en zussen het huis uit ging om, zoals iedere avond in de vakantie, naar het Vrijthof te lopen. Dan zou ik de brief in de bus doen zodat ze hem pas zou lezen als ze ’s avonds terugkwam.
Het werd negen uur, halftien, tien uur, maar ze kwam niet. Ik begreep er niets van. Zou ze ziek zijn? Was ze eerder van huis gegaan dan normaal? Maar waarom? Ik durfde het briefje niet bij haar in de bus te doen, bang als ik was dat ze me door het raam zou zien.
Om halfelf ging ik teleurgesteld naar huis. Ik sloop op mijn tenen door de gang naar mijn kamer. Ik keek naar mijn stenenverzameling, ik keek naar de tekeningen van landschappen uit het Krijt die ik had opgehangen boven mijn bed, maar geen enkele fantasie welde er op.
Toen hoorde ik de trap kraken en even later klopte mijn moeder aan mijn deur. ‘Ben je nog wakker?’ fluisterde ze. ‘Heb je de brief gezien die vanavond gekomen is?’ Ik trok de deur met een ruk open. ‘Brief?’ vroeg ik. ‘Ja, toen je net weg was hoorde ik de brievenbus klepperen. Hij ligt op de kist in de gang.’ Ik stoof de trap af, pakte de brief. Met bibberende vingers maakte ik de envelop open en las:
We moeten elkaar spreken. Ik wacht om negen uur op je achter de St. Janskerk.
Ik rende het huis uit, de Lenculenstraat in, langs ons oude huis naar het plein achter de St. Janskerk. Ze stond er niet.
Het feit dat ze kennelijk op hetzelfde moment had besloten mij een briefje te sturen deed me nog zekerder zijn van mijn gevoel dat onze liefde wederzijds was. Ze had wekenlang gehoopt op mijn liefdesverklaring en niet langer willen wachten en nu zelf maar de stoute schoenen aangetrokken.
Ik rende terug over het Vrijthof, naar café Metropole, waar ik iedereen zag zitten, behalve haar.
‘Waar is ze?’ vroeg ik aan mijn vriend Johan. ‘Waar was jij?’ vroeg hij met een grote grijns en toen: ‘Ze zijn net naar huis.’
Ik rende terug naar huis, pakte mijn liefdesverklaring, rende naar de Witmakersstraat en daar zag ik haar staan. Ze stond voor de deur te praten met Geerten.
Ineens zonk de moed mij weer in de schoenen. Wat zou ik haar moeten zeggen? Zou ik haar mijn brief geven? Maar dan zou ik erbij staan als ze hem las. Zou ik haar het gesprek laten beginnen en afwachten wat ze zeggen zou?
Ik besloot dat dit niet het moment was om haar mijn liefde te verklaren. Ik moffelde het briefje in mijn broekzak en keerde me om, toen ik haar hoorde roepen: ‘Wacht.’
Ik draaide me weer om en zag dat ze iets tegen haar Geerten zei. Toen liep ze naar me toe.
Ik keek in haar prachtige ogen en stamelde: ‘Ik was te laat. Ik bedoel, ik stond hier te wachten tot je wegging, omdat ik iets voor je had... maar je was al weg, en toen ging ik naar huis en las je brief pas. Ik ben nog naar het Veldekeplein gerend, maar…’
Ze pakte mijn hand. ‘Wat wilde je me geven?’ vroeg ze. Ik wist niet wat te doen: haar het briefje geven of het haar vertellen. Alles ontkennen was ook een mogelijkheid. ‘Ik had een briefje voor je,’ zei ik terwijl ik het uit mijn broekzak pakte en aan haar gaf. Nog voor ze het open kon maken, zei ik: ‘Er staat in dat ik je mijn liefde verklaar.’ Het was een enorme opluchting. Ik had het haar gezegd, zomaar op straat. Alles leek mis te lopen, maar nu was het toch gelukt. Ze wist het en ik was er zeker van dat ze er blij van zou worden. Ze liet mijn hand los en keek naar de grond. ‘Kom,’ zei ik, ‘je hoeft niets te zeggen. Ik weet het al.’ ‘Nee,’ zei ze, ‘je weet het niet.’ Ik zag dat er tranen in haar ogen kwamen. ‘Het kan niet,’ zei ze.
Het is mogelijk dat ik het voorafgaande enigszins heb geromantiseerd. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat ik mij zojuist liet meeslepen bij het schrijven. De exacte bewoordingen zullen niet kloppen, maar de strekking ervan wel.
Het ging hier slechts om de eerste liefde, die natuurlijk grenzeloos is. Men weet nog van niets en is totaal overdonderd door wat men meemaakt; een zekere mate van zinsbegoocheling heeft er plaats. Verliefdheid is uiteindelijk niet meer dan de droogtijd van de lijm, daarna kijkt men of het houdt.
Maar ik zal het neerschrijven zoals het mij nu voor ogen komt; dichter bij de waarheid kan ik niet komen.
De hartstlag van de aarde - Arthur Umbgrove 277 pagina's, Uitgeverij Contact ISBN: 9025429653
"Alleen bestaat niet" - René Poort
Proloog
Ik moest alles opschrijven. Het maakte haar niet uit wat. Hoe luttel het ook was, het moest op papier, al de dingen die ik binnen meemaakte: gebeurtenissen, gedachten, fantasieën, dromen… niets mocht ik nog voor mij houden. ‘Want alleen bestaat niet,’ zei Gap, ‘dat denk je maar. Ik laat je niet alleen, ook daar niet. En jij mag míj niet alleen laten.’ Daarom moesten we schrijven. Ontelbare en eindeloze brieven zouden we elkaar gaan sturen, waar ieder klein ding in zou staan. ‘Puistjes die ergens op me tevoorschijn komen, schrammen die ik oploop, hoe bruin ik ben geworden na een mooie dag, of dat ik nat werd van de regen en kippenvel kreeg van de kou… en natuurlijk dat ik er ziek van ben je te missen en de hele nacht gehuild heb, of dat ik geil ben en je in me wil, dat ga ik allemaal voor je optekenen. Doodgewoon omdat het met me gebeurt. Met mij, en dus ook met jou. Want wat van mij is, is ook van jou… en andersom. Toch?’ Meteen nadat zij erachter was gekomen dat ik de gevangenis in zou gaan, was zij in mijn leven gaan graven. Ieder voorval dat ze wetenswaardig vond, moest ik voor haar opdiepen en uitspinnen. Ze smeekte en zeurde net zo lang tot ze alles erover uit mijn geheugen had losgeweekt. Toen ik verdween en zij met halve verhalen achterbleef, ging zij in haar brieven verder. In plaats van te vertellen moest ik nu schrijven. Vooral over mijn avonturen met Stephanie, daar wilde zij het meest van weten. Alsof er in mijn verleden met Stephanie iets te vinden was, een of ander geheim, dat alles duidelijk zou maken: waarom ik was gaan zitten, en waarom ik doodgewoon bleef zitten, waarom ik niet gek werd daarbinnen (zonder haar). Zo gek als de man in de witte djellaba. Toen ik hem voor het eerst zag, zat hij op een stoel naast de deur van het voorgebouw, alsof hij wachtte op iemand die hem zou komen halen. Hij probeerde telkens zijn handen in zijn schoot te leggen, maar hij kon ze niet stilhouden, ze beefden de hele tijd, bewogen als dingen die niet van hem waren. Zoals de hand van de frater.
Niemand wist wie hij was en niemand had ook maar één woord uit hem kunnen krijgen. Een oude inbreker die gevaren had en zeven talen sprak was erbij gehaald en had al zijn talen geprobeerd, maar de man in de witte djellaba had hem telkens aangekeken, en dan weer niet, geschud en geknikt met zijn hoofd als iemand die niet anders kon, en gezwegen. Hij had in geen van de woorden iets herkend, net zomin als hij iets in ons leek te herkennen. Later liep hij als een slaapwandelaar door het gebouw aan de hand van mijnheer Swanenberg, die zich over hem ontfermd had en hem met zich meevoerde als zijn kind (of zijn vrouw, in ieder geval als iemand die hij liefhad, dat kon je aan de tederheid van zijn gebaren zien), en die onverstoord in zijn plechtige Nederlands tegen de man in de witte djellaba praatte terwijl hij hem van alles aanwees en uitlegde. Vrij naar de Ethica. Telkens als ik hen zag lopen moest ik aan Stephanie denken, aan de keren dat zij mij bij de hand had genomen. Waarom heb ík je nooit bij de hand mogen nemen, zoals Stephanie, vroeg Gap meteen nadat ze mijn brief gelezen had, shit man, dan zat je daar misschien niet eens! Ik heb vaak gedacht dat ze mijnheer Swanenberg expres had aangegeven, in de hoop dat hij in hetzelfde huis van bewaring als ik zou komen te zitten en mij dan zou kunnen beschermen, nu zij dat niet kon (zodat ik niet alleen zou zijn). Ik was Gaps man in de witte djellaba (misschien niet krankzinnig, maar ik was ook mijzelf niet, dat wist zij zeker) en ze wilde me bij de hand nemen. Als je weer naar buiten komt is dat het eerste wat ik zal doen, schreef zij, je hand pakken. Ik staarde naar het woord ‘buiten’. Meteen nadat ik binnen was aangekomen wist ik dat ik buiten heimwee zou krijgen. Heimwee naar binnen. Maar dat schreef ik haar niet. Nee, ik schreef haar over mijn avonturen met Stephanie.
De hond zonder naam
In mijn eerste herinnering aan Stephanie was ik naakt. Ik was in bad geweest en zij mocht mij afdrogen, maar voor ik het wist, rende ik weg, de badkamer uit. Stephanie had gelachen en de handdoek achter mij aan gegooid. Hij fladderde over mij heen, gleed weer van mij af en ik holde verder, half nat, terwijl ik probeerde mijn piemel vast te houden, omdat die bij het lopen heen en weer zwiepte, maar ik kreeg door de kou overal kippenvel en mijn huid stond op een gegeven moment zo strak dat ik mij nauwelijks bewegen kon. Ik viel. Toen ze me vond, slikte ze haar lach in. En ze zei ook niets. Ze keek niet eens, deed niets. Ze was er alleen maar. Net als ik. Wij waren er alleen maar. Wij alleen. In mijn herinnering heb ik nooit meer kunnen terugvinden wanneer of waarom we ophielden elkaar aan te staren. Ik keek naar mijn hand in de hare. Ze kneep er zacht in, tot ik haar aankeek, en glimlachte toen. Het was een warme dag. De hitte was zo intens dat alles wat leefde op het punt van uiteenvallen leek te staan. Achter iedere warme zomergeur dreigde de valse stank van bederf. ‘We gaan naar de bouw, goed?’ vroeg Stephanie. ‘Oké,’ antwoordde ik. De zon had haar nog mooier gemaakt dan ze al was. De kleur en de zachtheid van haar huid gaven me een eigenaardig gevoel vanbinnen, een soort blijheid, en het moedervlekje op haar boven- arm maakte mij machteloos als ik er lang naar keek. En in de warmte rook zij lekkerder. Ze had een geur die niemand anders had. Ze rook naar de geuren die aan haar huid bleven kleven tijdens het buiten spelen: de geuren van gras, klei, zand en steen, van de regen waar ze in was blijven staan, ook toen de rest van de wereld schuilde, van metalen dingen die ze in haar hand had gehouden, van het sap van versgebroken takken dat op haar benen was gedrupt; dat alles vermengd met de geur van haar eigen zweet was onweerstaanbaar. Ik kon het nooit laten om aan iets van haar te ruiken, het maakte mij niet uit waaraan. Dat mocht van haar. Vooral haar handen roken heerlijk. Ze hield ze vaak, als een kommetje gevouwen, voor mijn hoofd, zodat ik mijn gezicht in haar reuk kon dopen. Maar in het kuiltje van haar nek, waar zij haar laatste kinderdons bewaarde, rook zij het lekkerst. Heel soms liet ze me even mijn neus in dat holletje steken. Als ze mij ‘opeens lief’ vond. Dan ging ze plechtig voor mij staan en liet ze zich door mij inademen. Toen we zo eens betrapt waren, mochten we niet langer met elkaar spelen. Maar de kinderen die in plaats van Stephanie aan mij werden opgedrongen, stonken en maakten me misselijk. Ik gaf over als ik bij hen op visite was. Het was dezelfde stank die mij later naar adem deed snakken in de tussencel van het huis van bewaring, de penetrante geur van littekens die mensen op dingen achterlaten: zweet , pis, kots, eten.
De moeder van Stephanie rook naar eau de cologne, doorgekookte koffie en sigarettenrook. Ze was een slome vrouw die de hele dag in een statige leunstoel zat met naast haar een asbak op een standaard die na een druk op een zwarte bakelieten knop as en peuken opvrat. Zij rookte de hele dag sigaretten. Verder deed zij niets. Ze bekommerde zich alleen om Stephanie als haar iets niet beviel. Dat kon van alles zijn. Iedere daad en elk woord van Stephanie kon de trots van haar moeder krenken en ervoor zorgen dat die gedurende twee, drie tellen haar vadsige luiheid inruilde voor een vadsige beulenkracht en zij erop los sloeg. Ze strafte met vreemde geluidloze klappen van haar rechterhand die door een ziekte ergens in de groei was blijven steken en daardoor slap en verschrompeld aan het einde van haar droevige arm bungelde. ‘Ik voel het zelf toch niet!’ riep ze bij iedere klap die zij uitdeelde. Stephanie liet me altijd de sporen van een verse bestraffing zien. Dan gingen we naar ‘de hut’, het gat van een ontwortelde boom in het bos achter ons huis, waar we met planken, takken en grasplaggen muren en een soort dak hadden gemaakt, en trok ze haar blouse uit om mij de dieprode afdrukken van haar moeders apenvingertjes (soms een duimpje daarnaast) te laten zien. Ze leken op te gloeien in de schemer van de hut. ‘Moederstempels,’ noemde Stephanie ze en hoewel ze lelijk waren, kon ik mijn ogen er nooit van afhouden (ook in de dagen daarna niet, als de afdruk paars werd… blauw, groen, geel, en dan stukje bij beetje verdween). Stephanie liet mij er met mijn lippen langs gaan terwijl ik zachtjes blies, om de pijn te verlichten. Of ze liet me eraan likken, heel voorzichtig, met het puntje van mijn tong terwijl zij mijn stekelhaar streelde, en soms mijn nek, en ten slotte mijn hals, waar ik een litteken had dat zij fijn vond om te voelen. De bouw was een half voltooide school vlak achter de flat van Stephanie, aan de rand van de stad. Achter de bouw begon ‘het opgespoten land’, een braakliggende vlakte die verboden gebied was voor kinderen. Wij wisten niet waarom. Stephanie zei dat er drijfzand was, dat je bij de enkels greep als je te dichtbij kwam en je dan naar beneden trok.
Het hek om de bouw was lager dan het hek om de luchtplaats van het Depot voor Discipline, en het was ook vriendelijker, geen strak gespannen scheermesjesdraad dat het uitzicht in stroken sneed, maar grof gevlochten gaas dat met plastic omhuld was. Achter het hek van de bouw was een oneindige verzameling van dingen waarmee wij konden spelen: vierkante stapels rode bakstenen, vers uitgestorte en onaangebroken bergen zand, op elkaar gestapelde raamkozijnen die kant-en-klare hutten vormden – je hoefde er alleen een dak op te maken – allerhande gekleurde stukken ijzerdraad waarvan je brillen en poppetjes kon buigen, soms een vergeten tang of hamer, touwen zo dik als lianen, stokken als speren… Maar we klommen niet over het hek. Sterker nog, ik moest van Stephanie altijd een paar stappen bij het hek vandaan blijven, want achter het hek drentelde een herdershond heen en weer die volgens haar bij het minste onraad met ontblote tanden grommend tegen het draadwerk sprong. ‘Meteen als je het hek vastgrijpt om erover te klimmen, bijt hij je vingers eraf,’ zei Stephanie. Er was ook een man achter het hek, een man die zonder ook maar één geluid te maken die hond bij zich kon gebieden. De man heette Arend (hoe de hond heette, wisten we niet). Hij was misschien vijftig jaar oud, had een donkere getaande huid, een gezicht vol groeven en rimpels, en een hese stem waaraan altijd een rochel kleefde. Zijn zwarte glimmende haar was zorgvuldig met een grove kam naar achteren gekamd, zodat het als een pas geploegde akker plat op zijn hoofd lag. Het wit van zijn ogen was vuil en op de rug van zijn handen lagen paarse aders die dik als wormen waren. Niemand wist over Arend meer te vertellen dan dat hij samen met zijn hond de bouw bewaakte. Hij had geen vrouw of kinderen en misschien zelfs wel geen huis, want hij zat altijd in zijn keet achter een van de raampjes naar buiten te kijken tussen de kieren van de vale gordijntjes door, naar wat de werkmannen aan het doen waren, of naar ons als wij aan de andere kant van het hek verstoppertje speelden. Een enkele keer stond hij in de deuropening voor zich uit te kijken terwijl hij telkens een stok weggooide die de hond dan terugbracht. En soms, wanneer de werkmannen er niet waren, liep hij wel eens de bouw op, als hij ergens onraad vermoedde.
Maar eigenlijk maakte het niet uit waar hij was of wat hij deed. De mannen deden altijd alsof hij er niet was, alsof hij in zijn keet zat met de deur dicht. Niemand trok zich iets van hem aan. Ik probeerde ook te doen alsof hij er niet was, maar dat lukte mij nooit goed. Integendeel, ondanks het gevaar dat Arends hond opeens tegen het hek zou kunnen springen om mijn vingers eraf te bijten, stond ik telkens als Stephanie mij niet zag stiekem bij het hek om door de ruitvormige gaten van het gaas naar Arend te kijken (zoals ik later op de vuilnisbak in het huis van bewaring door de tralies staarde). Maar dan deed hij gewoon alsof ik er niet was. Hij zag mij nooit staan. Arend had eens drie jongens die zijn hond met stenen bekogeld hadden samen met het dier in zijn keet opgesloten. De jongens vertelden later dat de hond eerst heel lang boos had gekeken en daarna op een teken van Arend opeens hun handen had gelikt. Het was een vreemde, maar wijze les geweest van Arend (‘Dat was vergiffenis,’ had Stephanie gezegd), maar na verloop van tijd bleek deze wijsheid toch niet bestand tegen zijn eenzaamheid en begonnen roddels over hem de ronde te doen, waarvan er een behelsde dat hij de jongens ook iets onnoembaars zou hebben getoond. Het was van lieverlede een kolossaal en duister verhaal geworden, dat bij alle kinderen van de flat een angst voor Arend en zijn hond had gewekt die met geen enkele andere angst te vergelijken was.
Na het incident en de kwaadsprekerij had Arend ook zijn spaarzame verkenningstochten over het terrein gestaakt. Als hij dacht dat er iets niet pluis was, bleef hij zitten en belde meteen de politie. Stephanie zei dat hij zich verstopte, altijd al, maar nu nog meer omdat hij bang voor ons was. Hij was gevlucht. En zij zei dat de hond daarom ook geen naam had. Dat was ook een soort verstoppen. Ik geloofde haar, ook later nog, toen ik het aan Gap schreef, maar die lachte erom. Die hond had natuurlijk wel een naam, schreef zij. Arend noemde die hond gewoon bij zijn naam. Het was toch zijn hond? Hij hield van dat beest. Dáárom kon hij zich ook niet verstoppen. De hond zou hem altijd vinden. Want wie liefheeft, wordt altijd gevonden. En omgekeerd. Als iemand van je houdt word je altijd gevonden. Ik kon haar zo een handvol mensen aanwijzen voor wie haar stelling niet opging, maar zij geloofde mij niet. Zelfs de man in de witte djellaba was door iemand gevonden, zei zij. Door mijnheer Swanenberg, bijvoorbeeld. Er is altijd iemand die van je houdt en je wordt altijd gevonden, schreef ze met een streep eronder. En daarna: iedereen houdt van iemand. Ik heb haar niet meer over het onderwerp teruggeschreven. Want het ging natuurlijk niet over Arend of de man in de witte djellaba, nee, het ging over mij. ‘We lopen er eerst omheen,’ zei Stephanie toen we bij het hek aankwamen, ‘eerst de boel verkennen.’ ‘Kijken waar de hond is,’ voegde ik eraan toe. ‘Mijn broer gaat die hond uit de weg ruimen,’ zei Stephanie. ‘Hij gaat de hond verdoven en dan helemaal naar boven klimmen en hem ervan afgooien, heeft hij gezegd.’ Ze wees naar de steigers tegen de muren van de school. ‘Met nog een paar grote jongens. Om Arend terug te pakken.’ We liepen zwijgend verder. Het hek om de bouw werd over een afstand van tien meter onderbroken door een blinde muur van zes of zeven meter hoog die de zijkant van de school moest gaan worden. De muur was gemaakt van enorme platen beton met grind erop. In de voegen tussen de platen zat zacht grijs spul dat op stopverf leek. Maar je kon het niet lospulken om van de kruimels balletjes te kneden. ‘Het is een soort rubber,’ zei Stephanie. Zij duwde haar duim in de voeg. De afdruk van haar nagel bleef even zichtbaar, daarna veerde de specie terug en nam haar oude vorm weer aan. ‘We slaan er spijkers in,’ besloot ze, ‘en als Arend ons hoort en ons wil pakken, dan slaan we een spijker door zijn schoen, zodat hij niet achter ons aan kan komen.’ Ik lachte. ‘Maar hij komt toch zijn keet niet uit. Hij belt gewoon de politie.’ Stephanie dacht even na en zei toen: ‘Jij moet hier blijven en op de uitkijk staan. Ik zal wel dingen halen.’ Stephanie ging altijd dingen halen. Ze maakte plannen en ze haalde dingen. Ik wist niet waarom, zij misschien ook niet, ze deed het gewoon. Ik ging op de grond tegen de muur zitten en keek haar na tot zij om de hoek verdween. Ik snoof zacht de warme lucht op tot ik haar niet meer kon ruiken. Ik vouwde een kommetje van mijn handen en hield ze voor mijn neus. ‘Nee,’ fluisterde ik. Ik nam een paar keer met mijn ene hand wat warm zand van de grond, dat ik op de andere liet stromen. Daarna polijstte ik mijn handpalmen met een platte kiezelsteen. Ten slotte hield ik mijn handen onder mijn armen geklemd tot ze warm en zweterig werden en wreef ze krachtig over mijn haren. Ik maakte weer een kommetje en snoof opnieuw. Opeens was Stephanie terug. Ze stond voor me en wierp een klauwhamer met gebroken steel in het zand. ‘Wat doe je?’ vroeg ze.
Ik stak mijn hand onder haar neus. Ze snoof van een afstandje de geur van mijn hand op. ‘Wat is het?’ vroeg zij. ‘Ik ruik niks.’ ‘Dichterbij, je moet dichterbij ruiken.’ Stephanie trok haar hoofd terug. ‘Mag ik bij jou ruiken?’ ‘Wat, mijn handen? Nee. Ik wil timmeren.’ ‘Ik niet,’ zei ik. ‘Wat zeg je?’ vroeg Stephanie. ‘Ik wil het niet meer,’ antwoordde ik. ‘De spijkers erin slaan.’ ‘Wat wil je dan?’ ‘Gewoon, hier zitten.’ ‘En dan?’ ‘Gewoon…’ ‘Daar is niks aan,’ stelde Stephanie. Zij keek mij aan en dacht na. ‘Weet je wat?’ fluisterde ze, ‘jij blijft hier zitten, op wacht, en ik sla de spijkers in de muur. En als de politie komt dan waarschuw je me en dan gooien we de wagen op z’n kop… En dan sla ik nog meer spijkers in de muur net zo lang tot die omvalt… Hij moet omver en het hek ook en alles.’ Ze leegde haar broekzakken op de grond. Een tiental spijkers viel in het zand. Even later timmerde zij ze een voor een in de grijze naden van de muur, terwijl ik loom de omgeving in de gaten hield. ‘Het is fijn,’ riep Stephanie. ‘Ik sla ze er met één klap in!’ Ik viel in slaap.
"Zestig Strepen, de Soundtrack van mijn leven" - Frits Spits
Maria, Jimmy Bryant (Richard Beymer in West Side Story) (1961)
West Side Story was de eerste film die ik zag met Greetje, die al vroeg mijn vriendinnetje was. In de Chicagobioscoop aan de Eindhovense Rechtestraat. Die is er nu niet meer. Toen, begin jaren zestig, werd hij verbouwd en was hij ingesloten door imposant stalen steigerwerk. Chicago, zoals hij in de Eindhovense volksmond heette, was magisch. Hij had een koninklijke entree en die bleef koninklijk als je via dezelfde weg weer naar buiten ging. Na het zien van een film dacht ik dan even dat ik Charlton Heston was of David Niven. Maar toen ik na West Side Story, de Amerikaanse film uit 1961 waarin twee New Yorkse straatbendes tegenover elkaar staan, de bioscoop verliet, moest ik samen met mijn jonge Maria via een nooduitgang naar buiten. Geheel in de stijl van de film. De afloop was beklemmend. De bouwsteigers waren wankel en de trappen gammel. Ze leken heel even op de brandtrappen van New York. Ik knipperde met mijn ogen tegen het daglicht.
Ontluisterend. Maar ik was niet ontluisterd. De complete soundtrack van de film was al in mijn geheugen opgenomen. Het knippen van de vingers in het begin. De roffels van het slagwerk. De blazers die me met de twee gangs, The Jets en The Sharks, door New York jagen. Ik volg 'koele' jongemannen met strakke jeans en snelle gympen. Ik voel de spanning die ze opvoeren. De muziek die het liefdesverhaal aankondigt, is dreigend als onweer. Zij vult de straten waardoor we lopen. De opwinding over de komst van iets onverwachts is merkbaar. Een liefde sterker dan welke tegenstellingen dan ook. De liefde van de blanke Tony voor de Puertoricaanse Maria. De muziek swingt, danst, daagt uit, breekt de ziel open, maar is duivels. Eén lied, hét lied van de film, kan ik niet meer uit mijn hoofd krijgen. Ik volg Tony door de straten van New York, ik hoor hoe hij de onmogelijkheid van zijn liefde wegdroomt met die ene naam op zijn lippen: Maria, Maria, Maria. Dat beeld is uiteindelijk sterker dan de dramatische slotscène van de film. Maar ook die vergeet ik natuurlijk niet. Tony die Maria's broer Bernardo doodt als vergelding voor de dood van een lid van The Jets, Riff. En Tony die op zijn beurt wordt neergeschoten door Sharks-lid Chino.
Maria die komt aanlopen en Tony opvangt terwijl hij stervende is. Er gebeurt waarvan je de hele film lang hoopt dat het niet gebeuren zal. Moord en doodslag. Van een naïeve verliefde bakvis verandert Maria in een volwassen vrouw die de twee gangs die om het lijk van Tony staan de les leest. Het vuur slaat uit haar ogen als ze spreekt. 'Jullie allemaal hebben Tony gedood. En mijn broer en Riff ook. Ik voelde geen haat. Maar nu haat ik ook.' De film eindigt als zij langzaam maar zelfbewust uit het beeld wegloopt. Maria…
The most beautiful sound I ever heard, Maria, Maria…
De naam van Maria is poëzie geworden. En het was zo'n doodgewone naam. Maria. Veel vrouwen werden zo genoemd, maar mannen ook. Katholieke mannen. Die kregen, vooral vroeger, Maria er als naam bij. Op die wijze werden ze genoemd naar de moeder aller moeders, de heilige maagd Maria. Als iemand Maria heette, keek je niet op of om.
Maria klonk een beetje versleten. Ouderwets. Een naam als een spijkerbroek, veel gedragen en daarom niet zo opvallend meer. Maria was een grijze muis tussen de namen. Hij miste de glans van Cleopatra bijvoorbeeld, of van Grace, of Sophia, of Meryl, om maar wat te noemen. Ik kende veel Maria's. Er zat een Maria bij mij in de klas. Leuk. Lang haar. Modern. Haar agenda had ze volgeplakt met foto's van The Beatles. Maar ik geloof niet dat zij nou zo trots was op haar naam. En ik heb ook Marietjes gekend. Eén poetste bij mijn moeder het zilver. Ik vond haar lief. Er was echt niks mis met al die Maria's. Maar van hun naam moesten ze het vooral niet hebben. Maria. Gewoon. Maria. Zovelen werden er Maria genoemd. Ze vielen er niet mee op. Hun naam maakte ze niet bijzonder.
En dan is er ineens dat lied uit West Side Story. Maria verheft zich en staat in een nieuw licht. Door dat ene lied wordt Maria statig en trots als het Vrijheidsbeeld. Maria staat aan de poort van de Verenigde Staten. Het land waarin plaats zou moeten zijn voor iedereen.
'Maria, the most beautiful sound…' De naam Maria wordt niet alleen gezongen, maar ook geproefd. De letters zijn breekbaar als glas. Richard Beymer speelt Tony, maar hij is niet de man die `Maria' zingt, zijn stem is gedubd door die van Jimmy Bryant. Maar werkelijk verantwoordelijk voor dit lied zijn natuurlijk tekstdichter Stephen Sondheim en componist Leonard Bernstein, makers van West Side Story. Ze hebben de naam Maria verlost uit zijn kleurloze bestaan, ze hebben hem een nieuw leven gegeven. Of het leven teruggegeven. De Maria uit West Side Story is de wederopstanding van de heilige maagd Maria. De doek die zij aan het eind van de film om haar hoofd krijgt gelegd, is daar een teken van. 'Maria' is meer dan een liefdeslied. Het is ook een protestsong. Tegen alles wat met vooroordeel te maken heeft, tegen racisme, tegen discriminatie. Het lied maakt, met de film, duidelijk dat het in het leven alleen moet gaan om de liefde. Er mag geen plaats zijn voor haat. Het maakt niet uit wie je bent, waar je vandaan komt, welke huidskleur je hebt, welke religie je aanhangt, welke naam je draagt. De liefde maakt iedereen bijzonder. In dat besef schiepen de makers van West Side Story een nieuwe Maria en gaven haar nieuwe heiligheid. En juist door het gebruik van die doodgewone naam benadrukten ze dat het de naam niet is waar het om gaat, maar de mens die hem invult. Bovendien kan nu iedereen die dat lied hoort, denken dat hij Maria is.
Maria zijn we allemaal.
Zestig strepen, de soundtrack van mijn leven - Frits Spits 256 pagina's, Nijgh & Van Ditmar ISBN: 9789038890807
"Onze oom" - Arnon Grunberg
De moordenaar van Lina Siñani Huanca’s ouders kon zelf geen kinderen krijgen, daarom besloot hij Lina Siñani Huanca te adopteren. Hij hoefde er niet lang over na te denken, het kind stond daar in het halfdonker en keek hem aan alsof het zonder moeite had geraden dat hij de operatie leidde, alsof het wist dat hij besloot wat er nu ging gebeuren. Het kind moest, nog voor hij iets had kunnen zeggen, hebben begrepen dat haar lot zijn lot was geworden. Vanaf nu zouden ze voor altijd met elkaar verbonden zijn, een verbintenis sterker dan welke bloedband ook. Vlak bij een houten tafel waarop de restanten van een maaltijd nog aanwezig waren stond ze. Vieze borden, bestek, kaarsen, een krant, een pan waarin nog wat eten zat. De aangebrande korsten van een stoofschotel? Rijst met restjes vlees? Hij was uit de slaapkamer gekomen om te kijken wat er aan de hand was, waar het geluid vandaan kwam, wat dat geluid te betekenen had, hoewel dat een overbodige vraag was – wat kon zo’n geluid betekenen? – en daarop had hij haar voor het eerst gevoeld. Hoewel ze enkele meters van hem vandaan stond, had hij het idee dat ze hem aanraakte. Nog voor hij haar had gezien, nog voor het licht van zijn zaklantaarn op haar gezicht was gevallen, meende hij dat ze hem betastte zoals een blinde dat doet. Hij was zijn carrière begonnen als verkenner. Hij rook de ander voor hij hem zag. En hoewel die alertheid was verdwenen, ze had hem verlaten zoals een geliefde je verlaat, was ze er deze nacht weer. Sterker dan vroeger. Even had hij de zekerheid terug dat het leven niets anders was dan de concentratie waarmee je je omgeving observeerde. Hij had haar beschenen met zijn zaklantaarn, hij had haar vlechten gezien, niet voor lang, maar lang genoeg om te besluiten dat hij meer licht nodig had. Ze had op dezelfde plek gestaan waar ze nu nog steeds stond. Hij bleef haar aankijken terwijl zijn ondergeschikten elders zwijgend door het huis liepen en hij de zaklantaarn op de grond richtte om haar niet te verblinden. Een ogenblik had hij zich afgevraagd of ze wist wat er in de slaapkamer met haar ouders was gebeurd, maar toen had hij zich weer geconcentreerd op haar vlechten, de langste vlechten die hij ooit had gezien. Zijn mannen liepen door het huis op zoek naar bewijsmateriaal, naar alles wat als ‘belastend’ zou kunnen worden omschreven, hoewel dat nauwelijks meer nodig was. Het was een formaliteit, maar juist daaraan hechtte hij. Tussen mens en chaos stond de formaliteit. Zijn mannen drukte hij altijd op het hart dat een huiszoeking geen excuus was voor vandalisme. Het ging er niet om zo veel mogelijk te verwoesten of kostbaarheden achterover te drukken, het ging erom belastend materiaal te vinden. Soms waren zijn mannen in een roes. Geen roes van alcohol of drugs, maar de roes van het leven zelf, het leven zoals het ooit bedoeld was, een vernietigende roes. Het meisje hield zich met haar linkerhand vast aan een tafelpoot. Ze droeg een gele pyjama. Haar vlechten waren niet alleen lang, maar ook dik. En haar haar was zo zwart dat het bijna blauw leek. Hij probeerde haar leeftijd te schatten, maar het lukte hem niet. Neven of nichten had hij niet, en zijn schaarse kennissen zag hij altijd zonder hun kinderen. Hoe kon hij de leeftijd van een kind schatten? Hij kon andere dingen. Zijn vader was anglofiel, zonder ooit in Engeland te zijn geweest. Met moeite bemachtigde hij zo nu en dan scones, en iets wat op clotted cream leek, en voor Kerstmis dwong hij zijn vrouw een Christmas pudding te maken. De vader van de majoor sprak matig Engels, maar hij was er wel van overtuigd dat Engels de taal van de beschaving was. Een grote prater was hij nooit geweest, maar zonder dat daar veel aanleiding toe was, kon hij plotseling zeggen: ‘Indeed.’ En zijn zoon mocht geen Antonio heten, zoals zijn eigen vader, maar Anthony. Op school was hij de enige Anthony geweest, en ook in het leger. Hij had ermee leren leven. Hooguit had hij gedacht dat als hij ooit een kind kreeg, het kind een gewone naam zou krijgen, eentje waarmee je overal terechtkon. De majoor veegde het zweet van zijn voorhoofd zonder het meisje uit het oog te verliezen. Er kwam maar één woord in hem op: ‘Indeed.’ Hij stond met zijn rug tegen de muur en luisterde naar de voetstappen van zijn mannen. Hoe vaak had hij niet tegen hen gezegd: ‘Wat wij doen vereist discretie’? Hij was geboren in deze provinciestad en hij was bij het leger gegaan om iets van de wereld te zien, om iets te leren, zonder dat je daarvoor een beurs nodig had of rijke ouders. Hij wilde weg uit de provinciestad die hij al haatte toen hij jong was, en die hij nog steeds haatte. De haat was er niet minder oprecht op geworden, hooguit kalmer. De haat had iets geruststellends gekregen. Je leerde ermee leven. Hij had er in ieder geval mee leren leven. De echtgenoten van zijn twee oudere zussen hadden weliswaar gestudeerd, maar een van hen was nu werkeloos en de ander verdiende een habbekrats, hij kon er amper de huur van betalen. Nee, hij had de universiteit tijdig weten af te zweren, nog voor hij er een voet over de drempel had kunnen zetten, en hij had er nooit spijt van gehad. Het leger was misschien niet wat hij zich ervan had voorgesteld, ze hadden hem andere dingen beloofd, ze hadden hem een ander leven beloofd, indertijd op de opleiding, maar alles beter dan wegteren als onderwijzer op een dorpsschooltje. Bovendien verdiende hij een behoorlijk salaris, hij had carrière gemaakt. Zelfs de mannen die schamper over hem spraken, en daar niet mee ophielden als hij binnen gehoorsafstand kwam, wisten dat hij carrière had gemaakt, anders zouden ze ook niet de moeite nemen zo neerbuigend over hem te spreken. Het leger had hem de mogelijkheid gegeven om te ontsnappen. Hij had die mogelijkheid met beide handen aangegrepen, al was de ontsnapping zelf later tegengevallen. ‘Intelligent maar niet briljant,’ zo had de pater die hem op school wiskunde had gegeven Anthony omschreven. De omschrijving trof hem nog steeds als accuraat, al kon hij er inmiddels aan toevoegen: ‘Harde werker, gedisciplineerd, beschikt over sociale vaardigheden.’ Met dat laatste bedoelde hij dat hij meer dan andere militairen bereid was persoonlijke antipathieën opzij te zetten. Een leger was geen verzameling individuen met een eigen agenda, zo’n leger was ten dode opgeschreven. Een militair diende een hoger doel. Aan het begin van zijn loopbaan had hij bovendien de gave van totale alertheid gehad, de gave om de ander te ruiken nog voor die ander daadwerkelijk zichtbaar was. Dat mocht niemand vergeten, dat zou hij zelf nooit vergeten. Hij bescheen een kast in een hoek van de kamer en zag porseleinen borden, foto’s, een ingelijst schilderijtje van een landschap. Vervolgens richtte hij de zaklantaarn naar beneden, de bundel licht viel op zijn laarzen. Hij keek ernaar, vieze laarzen die nodig eens gepoetst moesten worden. Maar overal was modder, vooral in dit soort buurten, zeker in het regenseizoen. De majoor kuchte. Langzaam keek hij op terwijl hij de zaklantaarn nog even op zijn laarzen gericht hield. Voorzichtig bewoog hij zijn hand, de bundel licht viel nu op het bovenlichaam van het meisje, op haar gele pyjama. Hij keek het kind dat onder zijn verantwoordelijkheid viel in de ogen. ‘Ik ben majoor Anthony,’ zei hij. ‘Ik leid deze operatie. Hoe heet jij?’ Ze bewoog niet. Haar vlechten hingen stil, haar prachtige vlechten. Hij praatte niet graag, en als hij praatte, vooral als hij tegen vreemden praatte, ging dat geforceerd. Het leger was geen praatclub. Er werd te veel gepraat naar zijn idee, te veel geroddeld. Praten was een symptoom van verrotting. Het kind keek hem aan. Ze staarde naar hem en haar gezicht verried geen enkele emotie, alsof ze nog tijdens haar leven gemummificeerd was. Een uur of negen geleden had hij te horen gekregen dat hij deze operatie zelf zou gaan leiden. Het was hem medegedeeld in een bijzin, daarna had hij een papiertje in handen gedrukt gekregen met summiere informatie over de verdachte individuen. Hij moest altijd weer glimlachen bij de woorden ‘operatie’ en ‘leiden’ – hij was niet bij het leger gegaan om politieagent te spelen. Er was hem een jonge korporaal die hij nog niet kende toegewezen. Een glimmend gezicht en aan dat gezicht zat het lange en magere lichaam van de korporaal vast. ‘Waar kom je vandaan?’ had de majoor gevraagd voor ze in de jeep stapten. ‘Uit de bergen,’ had de korporaal geantwoord. ‘De bergen,’ had de majoor gezegd. ‘Aha.’ Om half twee in de nacht hadden ze de basis verlaten, majoor Anthony, de korporaal en twee soldaten met wie hij eerder had samengewerkt. Zijn bataljon was belast met het arresteren van verdachte individuen. Dat hij als majoor nog steeds het handwerk verrichtte, had er vermoedelijk mee te maken dat hij niet bijzonder populair was. Niet dat majoor Anthony gehaat werd, zoals andere officieren gehaat konden worden en ook langzaam kapot konden worden gemaakt door hun ondergeschikten. Hij had hen gekend, hij had het van dichtbij mogen meemaken, hoe officieren de eer aan zichzelf hielden en aan het eind van een oefening de trekker overhaalden. Majoor Anthony was bij sommigen zelfs geliefd, dacht hij, alleen niet geliefd bij de mensen die ertoe deden. Niet geliefd genoeg om een gerieflijk leven te kunnen leiden, zoals andere officieren, vaak jonger dan hij. Daarom moest hij midden in de nacht eropuit om te doen wat officieren van zijn rang nooit meer zelf deden. Maar hij deed het niet met tegenzin. Praktijkervaring was belangrijk, juist voor een officier. Hij had altijd meer geambieerd dan de schrijftafel. Wie belast was met opsporing en arrestatie van verdachten moest hen af en toe zelf in de ogen kijken, anders werd het werk hopeloos abstract. Je moest het zien, je moest het verdachte individu ruiken om te weten waarom je dit werk deed. Hij was in de eerste plaats loyaal, loyaal aan zijn vader, hoewel die meer anglofiel dan vader was geweest, loyaal aan zijn werkgever, hoewel die meer van hem had geëist dan van een werknemer kon worden verwacht, maar bovenal loyaal aan de staat. Een burger is loyaal aan de staat waarin hij woont, anders is hij geen burger meer, en een militair is dubbel zo loyaal aan die staat, zo zag hij het. De staat was als een geliefd familielid, de staat was als een oom voor hem. ‘Maar is een gevangene niet ook loyaal aan zijn cel?’ had zijn vader een keer gevraagd. Voor majoor Anthony was het leger een val, al zou hij dat tegenover anderen nooit toegeven. In de buurt waar de verdachte individuen woonden was de elektriciteit uitgevallen. Dat gebeurde regelmatig. Niemand wist precies hoe het kwam, sommigen zeiden dat het energiebedrijf bepaalde buurten op geregelde tijden niet meer van stroom voorzag, anderen zeiden dat de staat de elektriciteit afsloot bij wijze van collectieve straf. Weer anderen beweerden dat er sprake was van sabotage. Ze zaten in de jeep en ze wachtten, op de hoek van de straat waar de verdachte individuen woonden. De twee soldaten kauwden kauwgum, een van hen blies bellen, zonder dat ze klapten. De korporaal hoestte een paar keer, tot majoor Anthony zachtjes had gezegd: ‘Houd op met dat hoesten, korporaal.’ Ze wachtten, aangezien de majoor opdracht had gekregen de verdachte individuen om drie uur in de ochtend te arresteren. Stiptheid was de helft van het succes. Voor ze de poort uit reden, had hij het zijn mannen nog eens uitgelegd: ‘Het arresteren van verdachten is een kwestie van stilletjes wachten en op het juiste moment toeslaan. Jullie vertegenwoordigen niet alleen jullie zelf, jullie vertegenwoordigen niet alleen mijn bataljon, jullie komen namens de staat en zo dienen jullie je ook te gedragen.’ Waarop de korporaal had gezegd: ‘In dit leger heb ik alleen nog maar gewacht.’ Het was stil op straat, niemand overtrad het uitgaansverbod. Omdat de majoor kritiek had geuit, bepaalde misstanden had aangekaart bij zijn superieuren, moest hij nu operaties leiden waarvoor een luitenant zich te goed zou voelen. Maar zo brachten zijn superieuren het niet. Ze zeiden: ‘Jij bent bekwaam in het veldwerk.’ Ja, hij was bekwaam in het veldwerk. Vanuit de jeep had hij het huis bekeken waarin de verdachte individuen zich zouden ophouden. Van buiten zag je niets. Van buiten zag je nooit iets. Nog een keer had de korporaal gehoest en majoor Anthony had gefluisterd: ‘Nu houd je op met hoesten, korporaal. We zijn hier niet in een ziekenboeg.’ Hij had voor de zesde keer op zijn horloge gekeken. ‘Wat kunnen we verwachten?’ vroeg de ene soldaat. ‘Zijn ze gewapend?’ ‘Ik heb niets over wapens gehoord,’ zei de majoor. ‘Maar wees alert. Wees op je hoede. Wees geconcentreerd. Ik zal voorop gaan.’ In de binnenzak van de majoor zat het papier met de namen van de verdachten, een stempel eronder, een handtekening. Hij haalde het tevoorschijn, maar er was niet genoeg licht om het te lezen. Daarna borg hij het zorgvuldig weer op. Het regenseizoen bezorgde hem lichte hoofdpijn. De majoor herinnerde zich de melodie van een populair liedje, alleen de tekst was hij vergeten. Hij deed moeite zich de tekst van het liedje te herinneren, maar het lukte hem niet. Om precies drie uur in de ochtend waren ze het huis binnengegaan. De voordeur was niet eens op slot, in een buurt als deze kwam dat vaker voor. Ergens sloeg een hond aan, maar ze waren al binnen. Een van de soldaten had naar een trap gewezen, die bleek te leiden naar de slaapkamer. Majoor Anthony ging voorop, precies zoals hij had aangekondigd. Zijn dienstwapen in zijn hand, hoewel hij geen problemen verwachtte. Zoals hij had vermoed, trof hij de verdachte individuen in bed aan. Het beste moment om iemand te arresteren is als hij slaapt of zich nog in een halfslaap bevindt, ternauwernood wakker geworden van wat geruis verderop in de woning. Daarom kwamen ze ’s nachts, om de operatie voor alle betrokkenen zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Discretie was belangrijk. Je had geen pottenkijkers nodig. Een echtpaar, zo was hem van hogerhand medegedeeld. Hij had zijn wapen laten zakken en met zijn zaklantaarn over de dekens geschenen. ‘Bent u...’ had hij gevraagd. Maar verder was hij niet gekomen. ‘Bent u meneer en mevrouw Siñani?’ had hij willen vragen. Dat waren de regels. Volgens sommige officieren overbodige formaliteiten, maar niet volgens hem. Een leger bestond bij de gratie van regels en formaliteiten. De vraag die hij had willen stellen – welk antwoord ook op de vraag was gekomen, de arrestatie had toch plaatsgevonden, maar het was zijn plicht dergelijke vragen te stellen – had hij niet kunnen afmaken, aangezien een van de verdachte individuen reikte naar iets wat op het nachtkastje lag, vermoedelijk een wapen. Op dat moment begon de korporaal te schieten. Hij schoot alsof het de eerste keer was dat hij dat deed. Hij leek er niet meer mee te kunnen stoppen. De majoor had niet gezien dat de korporaal zijn vinger aan de trekker had. Hij zei altijd tegen zijn mannen: ‘Zet je vinger pas aan de trekker als het noodzakelijk is. Niet eerder.’ Te vroeg schieten was net zo gevaarlijk als te laat schieten. ‘Stop!’ had de majoor geroepen. ‘Stop! Idioot.’ Eindelijk had de korporaal zijn vinger van de trekker gehaald. Hij had zijn automatische wapen laten zakken en de majoor met afhangende schouders aangekeken. Majoor Anthony had de korporaal met de zaklantaarn in het gezicht geschenen en het viel hem op hoe treurig en vermoeid de korporaal eruit had gezien. Ondervoed, dat was het woord. Hij zag het nu pas. Ze hadden hem een ondervoede korporaal toegewezen. ‘Het leger treitert ons,’ zeiden mensen wel eens tegen hem als ze hoorden welk beroep hij had. Maar wat de meeste burgers niet wisten, was dat het leger vooral de militairen zelf treiterde. Hem hadden ze opgezadeld met een ondervoede korporaal. Toen had hij met zijn zaklantaarn op het bed geschenen, en alle vier zagen ze dat het verdachte individu niet naar een wapen had gereikt, maar naar een bril. Waarvoor had hij uitgerekend op dat moment een bril nodig gehad? Wie zet nu zijn bril op als hij wordt gearresteerd? ‘De klootzak,’ mompelde de majoor, en hij wist zelf niet of hij daarmee de korporaal of het verdachte individu bedoelde. ‘De klootzak,’ herhaalde hij nog een keer, maar nu zachter, met meer aarzeling in zijn stem. Hij was toch niet helemaal zeker van zijn zaak. Wie was hier de klootzak? Hij stopte zijn dienstwapen in de holster, alsof de operatie al beëindigd was. ‘Majoor,’ zei een van de soldaten en hij wees op de andere verdachte, de vrouw. Ze was ook geraakt, maar ze leefde nog. Ze bloedde en ze kronkelde als een slang. ‘Dit is niet goed,’ zei de soldaat. ‘Dit is niet goed, majoor. Die haalt het niet.’ De Neus, zo werd deze soldaat genoemd, omdat hij een grote zwarte moedervlek op zijn neus had. Iedereen kende hem alleen als De Neus. Ook de majoor, die al vaker met hem had gewerkt, had geen flauw idee hoe de soldaat eigenlijk heette. Hij zou het moeten opzoeken. ‘Waar was dat nu voor nodig?’ vroeg de majoor. ‘Is dit hoe ze dat bij jullie in de bergen doen, korporaal? Wat voor training heb jij gehad? Heb je wel training gehad?’ De korporaal hoestte, en terwijl majoor Anthony daarnaar luisterde, voelde hij zich oud en zwak. Hoop stroomde uit hem weg, hoewel hij niet eens wist waarop hij de laatste jaren precies had gehoopt. Het leven stroomde uit hem weg, zijn eigen leven, maar ook dat van de verdachten die hij had moeten arresteren. Het leek alsof de man op het bed deze wereld via de majoor verliet. De majoor was een laatste tussenstop voor het verdachte individu definitief vertrok naar een volgende, betere wereld. De gewonde vrouw lag nog naast haar man. Ze waren allebei verdacht geweest. De staat nam geen onnodige risico’s. Met wie je getrouwd bent, is geen toeval. Liefde is veelal een voorwendsel voor subversieve activiteiten. ‘Ik dacht dat hij een wapen had, majoor,’ fluisterde de jonge korporaal. ‘Hij had ook een wapen, u hebt het zelf gezien, majoor. Het leek op een wapen.’ Toen majoor Anthony de jongen goed aankeek, viel hem nogmaals op hoe ziek de korporaal eruitzag. ‘Dat was een bril. Heb jij ogen in je hoofd?’ Hij staarde naar het bed, naar de dode man, de bril, de lakens, de deken, de gewonde vrouw, en hij rook de weeïge geur van het bloed. ‘Ik dacht...’ fluisterde korporaal. ‘Jij dacht!’ riep de majoor. ‘Jij moet helemaal niet denken. Jij moet geen dingen doen die je niet kan. Niemand moet hier dingen doen die hij niet kan.’ Hij vloekte een paar keer. Misselijk maakte deze geur hem. Dat zoete, dat bedwelmende. De Neus kauwde ritmisch op zijn kauwgum en de andere soldaat blies een bel. Negentien was de bellenblazer, maar de facto een analfabeet. Hij kon zijn eigen naam schrijven, daar hield het mee op. Voor hij bij het leger ging, had hij voornamelijk lijm gesnoven. Toch was het een goede jongen. Tijdens een operatie een paar weken terug had de majoor een kort gesprek met hem gevoerd. De jongen was eerlijk, maar had geen ruggengraat. Hoe kan dat ook na zes jaar op straat leven? Zoals het leger desintegreerde, zo desintegreerde het land, zo desintegreerde deze oorlog, die geen oorlog was, en die officieel ook niet zo genoemd mocht worden, en zo desintegreerde de majoor zelf. Wat hem nog bij elkaar hield, was zijn uniform. ‘Het zijn klootzakken, majoor!’ riep de korporaal. ‘Het zijn klootzakken, weet u wat ze met ons hadden gedaan? U weet wat ze met ons hadden gedaan.’ Zijn stem sloeg over. En hij bleef ‘Het zijn klootzakken, majoor!’ roepen tot de majoor zei: ‘Houd nu je bek.’ De provinciestad waar hij was geboren, had hij nooit verlaten. Acht kilometer buiten de stad lag de militaire basis, waar hij vijf dagen per week ’s ochtends naartoe reed. En meestal reed hij ’s avonds weer terug, naar zijn vrouw, die hij had leren kennen tijdens een oefening in de bergen, in een café. Andere militairen waren luidruchtig. Hij niet, majoor Anthony was nooit luidruchtig. Daarom was ze een gesprek met hem begonnen. Paloma heette ze. Haar vader bezat een benzinestation, dat hij koesterde als een juweel.Vrij snel waren ze getrouwd, het was beter om met dat soort dingen haast te maken, vonden Paloma en haar ouders. En hij had haar meegenomen uit de bergen naar zijn provinciestad. De majoor keek naar het bed en dacht aan zijn huis, aan het zwembad in de tuin, een klein zwembad, hij had het pas twee jaar. Toen bleek dat ze geen kinderen konden krijgen – ze hadden van alles geprobeerd, jarenlang – had hij een zwembad laten aanleggen. Maar Paloma nam geen genoegen met een zwembad. Ze zei: ‘Een zwembad is geen kind.’ Daarop had de majoor niets meer gezegd, hij was pontificaal in het kleine zwembad gaan liggen. Hij wilde bewijzen dat een eigen zwembad beter was dan een eigen kind. ‘Ze haalt het niet,’ zei De Neus, ‘ze haalt het niet, majoor. Wat doen we met haar?’ Hij klonk als een jongen die zich probeert te redden uit een examen waarvoor hij niet goed genoeg heeft gestudeerd. Kinderen waren het, soldaten. De majoor deed een stap naar voren, in de richting van het bed. Voor zover hij het kon overzien, zou de vrouw het wel halen. Met enige moeite, maar halen zou ze het. Maar wat maakte dat uit? Er konden desondanks complicaties ontstaan. Hij had geen vrienden op hoge plaatsen. Ze zouden hem niets vergeven. Ze zouden bij hem niets door de vingers zien. Het werd een ingewikkeld verhaal, waarvoor hij verantwoording zou moeten afleggen. Men schoot niet zomaar. Men schoot niet omdat een verdacht individu zijn bril pakte. De vrouw op het bed opende haar mond, ze leek iets te willen zeggen, maar er kwam alleen wat bloed uit. Een klein, beschaafd golfje. Ze keek de majoor aan. Ze had lange bruine haren. Dit is wat we zijn geworden, dacht hij, dit is wat ik ben geworden. En hij hoorde hoe De Neus zei: ‘Dit is zwaar klote.’ Hij dacht weer aan het zwembad dat hij had laten bouwen. Aanvankelijk zou er nog een fonteintje bij komen in de vorm van een zeemeermin, maar dat bleek al met al toch wel erg begrotelijk, en toen was het een gewone fontein geworden, zonder zeemeermin. Nu wist hij weer waarop hij de laatste jaren had gehoopt, op zijn zeemeermin. ‘Maak er een eind aan,’ zei majoor Anthony tegen de korporaal. De jongen begon nerveus te lachen. En toen weer te hoesten. De majoor keek naar de korporaal om niet naar de vrouw te hoeven kijken, die haar ogen nog altijd geopend had, wist hij. Hij voelde het. De verkenner in hem leefde nog. Zodra ze haar ogen zou sluiten, kon hij weer naar haar kijken. En dat zou hij doen, geconcentreerd. Niet heel lang, maar lang genoeg om haar niet meer te vergeten. ‘Hoe bedoelt u?’ vroeg de korporaal. ‘Nee, nee, majoor. Dat kan niet. Dat kan ik niet... Ik niet...’ De majoor deed twee stappen in de richting van de korporaal. Met de ene hand greep hij hem bij de keel, terwijl hij met de andere hand met zijn zaklantaarn in het ongezonde gezicht van de jongeman scheen. ‘Wat kan niet? Wat kan jij niet? Door jou zitten we in deze ellende. Dringt dat tot je door? Dringt er wel eens iets tot jou door, korporaal?’ Hij kneep met alle kracht die hij in zich had de keel van de korporaal dicht. Zo was hij normaal gesproken niet. Hij was zichzelf niet. Dit ging tegen zijn geloof in. Tegen zijn ethiek. Maar hoe meer hij tegen zijn ethiek inging, hoe harder hij kneep. De korporaal hoestte, de korporaal rochelde. Majoor Anthony zag opnieuw zijn zwembad voor zich, met de fontein zonder zeemeermin. Uiteindelijk liet hij de korporaal los. Het gezicht van de jongen zag er nog ellendiger uit dan daarvoor. Zijn voorhoofd was nat van het zweet, er zaten zwarte vegen op zijn wangen en even vroeg majoor Anthony zich af of de korporaal nog wel bij zinnen was. ‘Nu!’ beval hij. De korporaal keek de majoor aan, recht in de ogen, en de majoor zag de haat van de jongen. Hij twijfelde niet aan die haat, en hij twijfelde er niet aan dat, als de korporaal de kans had gehad, hij zijn wapen tot de laatste patroon op de majoor had leeggeschoten. En toch kon hem die haat niets schelen. Met welk recht haatte de korporaal hem? Was hij verantwoordelijk voor deze toestand? Was hij verantwoordelijk voor de onrust, was hij verantwoordelijk voor de manier waarop de onrust moest worden onderdrukt? Had hij deze operatie bevolen? Was het zijn idee geweest een onervaren korporaal uit de bergen mee te nemen? De jongen richtte zijn wapen, zijn gezicht had de kleur van verregend karton, en hij schoot, net als daarvoor. Het was duidelijk dat hij niet al te veel ervaring had. Onnauwkeurig schoot hij, hij mikte niet, hij sproeide. Zoals een ander de tuin water geeft, zo schoot hij. Daarna liet de korporaal zijn wapen zakken. ‘Is het nu goed, majoor?’ vroeg hij. ‘Zijn we nu klaar? Is dit wat u wilde?’ De korporaal zakte op de grond, met zijn rug gleed hij langs de muur. Hij hoestte akelig. De majoor slikte. Het lawaai van wapens, het allesdoordringende geluid van het schieten, daaraan was hij gek genoeg nooit helemaal gewend geraakt. Net als aan de injecties, de bloedproeven die ze iedere zes maanden kwamen nemen om te kijken of je nog wel gezond was. Ook daaraan was hij niet gewend geraakt. Het zieke leger wilde gezonde mannen en gezonde vrouwen. Maar de tijdelijke doofheid die het gevolg was van het schieten, een suizend gevoel dat soms minutenlang aanhield, interesseerde niemand. Alleen als je bang was, als je doodsbang was, als je dacht dat je zou sterven, dan had je er geen last van. De majoor was niet bang om te sterven, niet hier in ieder geval, niet nu. De korporaal begon nog harder te hoesten. Majoor Anthony keek noch naar hem noch naar het bed. Hij staarde opzij, naar de bellenblazende soldaat. Zachtjes zei hij: ‘Klootzak uit de bergen.’ Toen pas durfde hij een blik op het bed te werpen. Daar lagen ze, de verdachten. Het bloed en de kogelgaten maakten hen nog verdachter dan toen ze daar gewoon, half slapend, hadden gelegen. Hun gewelddadige dood was vonnis en schuldbekentenis ineen. Wie zo stierf, moest wel schuldig zijn. ‘Ze hebben weerstand geboden,’ zei de majoor zacht. ‘Ik zal het in mijn rapport vermelden. De verdachten hebben weerstand geboden tijdens de arrestatie.’ Hij wreef over zijn gezicht, zoals hij dat deed nadat hij zich had geschoren, zoals zijn vrouw over haar benen wreef nadat ze die had geschoren. Om te voelen of ze geen plekje was vergeten. ‘Wat voor weerstand?’ vroeg de bellenblazende soldaat. ‘Wat stel ik me daarbij voor?’ Majoor Anthony ging vlak voor de soldaat staan. ‘Weerstand is weerstand. Daar hoef je je niets bij te voorstellen. Jij moet je helemaal niets voorstellen, jij moet orders opvolgen.’ Bijna had hij weer het woord ‘klootzak’ gebruikt, maar zo was hij niet. Hij was geen officier die schold om de schijn van autoriteit op te houden. Hij had autoriteit doordat hij altijd goed voor zijn mannen was geweest. Doordat hij hun had geleerd dat in het leger alles begint en eindigt met integriteit. En integriteit was vertrouwen. Vertrouwen op elkaar, dat in de eerste plaats. Blindelings vertrouwen. Maar ook op hem, op de majoor die de operatie leidde. Daarom schold hij in principe nooit. Een integere majoor voelde zich verantwoordelijk voor zijn mannen en zorgde ervoor dat ze levend terugkeerden naar de basis, en niet in een lijkenzak. Ook als hij niet werkte, ook als hij in bed lag, was er die verantwoordelijkheid die zijn leven bepaalde en die maakte hem tot wie hij was. Hij liet niemand achter. En hij schold in principe nooit. ‘Sorry, majoor,’ zei de soldaat zacht. Vanaf de grond klonk nog altijd het gehoest van de korporaal. Het ging over in gerochel. De majoor bekeek de jongen, zoals hij daar zat, zijn knieën opgetrokken, zijn wapen naast zich, en hij zag dat er tranen over zijn wangen stroomden. Hij begreep dat het geen gerochel was dat hij hoorde. De korporaal huilde. Majoor Anthony pakte zijn opschrijfboekje en noteerde het woord ‘weerstand’. Hij voelde langzaam een minachting voor de korporaal opkomen die aan walging grensde. Hij nam zichzelf die minachting kwalijk, maar hij kon er niets aan doen. Hij haatte de korporaal, zoals de korporaal hem haatte. Gevoelens waren een bewijs van gebrek aan professionaliteit. Wie last had van gevoelens kon niet meer functioneren. Zo iemand moest wel fouten maken. Dit was hij niet. Zo kende hij zichzelf niet. Dit was iemand anders. Hij had zijn land nooit te schande gemaakt, en op zijn beurt had zijn land hem nooit verraden. De korporaal hield maar niet op met huilen. Majoor Anthony had geen keus meer. Hij schopte hem zachtjes tegen de benen en zei: ‘Verman je, korporaal. Verman je, of moet ik ook hier een aantekening van maken?’ Toen hoorden ze het. Ze hoorden het allemaal tegelijk, hij zag het aan hun blikken, aan de manier waarop een van de soldaten een fractie van een seconde ophield met het kauwen op zijn kauwgum. Het was gesnik, een vreselijk en luidruchtig gesnik, maar het kwam niet uit de mond van de korporaal. Zijn gesnik leek op gerochel. Ergens in het huis huilde een kind. ‘Godverdomme,’ zei de soldaat die de hele tijd bellen blies. Ze waren alle vier stil, ook de korporaal maakte geen geluid meer. Ze luisterden. Sinds het nachtelijk uitgaansverbod was de stad na acht uur ’s avonds zo stil geworden dat het snikken van het kind iedereen door merg en been ging. Het groeide langzaam uit tot een sirene, met lange uithalen en soms een kleine pauze. ‘Ik ga op verkenning,’ zei de majoor uiteindelijk. ‘Doorzoek alle kamers, neem belastend materiaal mee.’ ‘Wat is precies belastend?’ vroeg De Neus. De majoor ging weer voor de soldaat staan, zoals eerder deze nacht. Ook dat deed hij normaal gesproken nooit. Hij hoefde niet te intimideren. Er werd naar hem geluisterd omdat zijn bevelen redelijk waren. ‘Als jij denkt dat het belastend is,’ zei majoor Anthony, ‘dan neem je het mee en laat je het aan me zien, en dan bepaal ik wel of het echt belastend is of alleen schijnbaar belastend. En houd het netjes. We zijn hier te gast, vergeet dat niet. Laten we ons dan ook als gasten gedragen.’ Even voelde hij zich net zo verloren als de korporaal. Hij wreef met zijn arm over zijn gezicht. Zijn gezicht voelde nat aan. Op dat moment stopte het huilen. Het brak gewoon af. De majoor en de korporaal keken elkaar aan: zonder haat, alleen nog maar vermoeid. Vervolgens liep de majoor naar de woonkamer. Hij pakte zijn wapen uit de holster, maar stopte het in dezelfde beweging weer terug. Zijn zaklantaarn zou zijn wapen zijn. Omdat er geen antwoord op zijn vraag was gekomen en omdat het kind geen aanstalten maakte zijn vraag te beantwoorden, zei hij voor de tweede keer: ‘Ik ben majoor Anthony. Ik leid deze operatie. Hoe heet jij?’ Wat moest er met haar gebeuren? Waar moest dat kind heen? Jezus christus, ze zaten hier met een kind opgescheept. Met zijn zaklantaarn scheen hij door de ruimte. Tot hij het licht weer op het kind en haar dikke vlechten richtte. Hij was in trance, alles wat hij op de militaire academie had geleerd was hij vergeten. De majoor liep naar de tafel, naast een vies bord lag een doosje lucifers. Hij stak de kaarsen aan, alsof hij hier woonde. Hij had zijn zaklantaarn ervoor op tafel moeten leggen. Hij dacht aan zijn zwembad. En terwijl hij dat deed, schoot het hem te binnen, alsof het een oud plan was, een idee dat hij al jaren had maar om onverklaarbare redenen nooit had uitgevoerd. Ik neem haar mee, dacht hij. Ik geef haar een huis, ik geef haar een moeder. Paloma zal een goede moeder zijn, Paloma zal van haar houden. Ik geef haar het zwembad. Hij pakte zijn zaklantaarn van de tafel en borg hem op in een van zijn zakken. Hij ging met zijn rug tegen de muur staan. De majoor bekeek het meisje en zij bekeek hem. De kaarsen begonnen te flakkeren. Zo ging een minuut voorbij. De majoor herwon zijn kalmte. Hij werd weer wie hij al was geweest vanaf zijn achttiende, een militair, iemand die zich ondanks alle barrières thuisvoelde in het leger, omdat het hem bood wat de rest van de wereld hem nooit had geboden: richting, structuur. Daarop wees hij naar zichzelf en terwijl de kaarsen flakkerden als bij een romantisch diner dat langzaam ten einde loopt, zei hij: ‘Ik ben majoor Anthony. Ik leid deze operatie. Jij mag me Anthony noemen.’ Zo stelde hij zich voor de derde keer voor aan het kind dat hij mee zou nemen voor zijn vrouw. Meer dan wat dan ook op de wereld had ze een kind gewild, maar het kwam maar niet. Niet dat hij geen erecties kon krijgen, erecties waren het probleem niet. Zaad was er ook genoeg. Maar het was niet goed. Het verbaasde hem achteraf niets: een verrotte politiek, een verrot leger, verrot zaad. Het een leidde tot het ander. Maar zijn lieve vrouw had daar geen genoegen mee genomen. Die kwijnde langzaam weg. Het meisje bleef staan alsof ze een standbeeld was. Uit andere kamers kwamen de vertrouwde geluiden van een huiszoeking. Er werd voorzichtig met meubels gesleept, een paar kussens zouden worden opgesneden, voor de zekerheid, evenals het matras. Hij kende de voorschriften. Het kon niet anders. Iets harder zei hij nu: ‘Ik zou zo graag willen weten hoe je heet. Ik ben majoor Anthony.’ Geen reactie. Ze tartte hem. Het kind maakte hem belachelijk. Hij deed een paar stappen in haar richting. Hij ging door de knieën. Zo bleef hij een tijdje zitten, en het klonk bijna smekend toen hij nog eens zei: ‘Ik zou zo graag willen weten hoe je heet.’ De majoor strekte zijn hand naar haar uit, en nu hij op gelijke hoogte met het kind was, kon hij zien hoeveel ze op haar moeder leek. Hij keek naar haar vlechten, hij zag hoe kunstig ze waren gevlochten, op een ochtend op de binnenplaats, of voor het huis, in de kou. En toen herinnerde hij zich weer het kleine golfje bloed dat uit de mond van haar moeder was gevloeid. Het was beter zo. Anders waren de verdachte individuen in een van de vele gevangenissen beland. Wie kwam daar uit? Hij had de ouders van dit kind heel wat bespaard. Ze hadden ook geen tijd gehad om na te denken, om te treuren, om zich zorgen te maken. Ze lagen in bed en toen was het afgelopen. Als je er langer over nadacht, was het een daad van rechtvaardigheid geweest die hij had laten verrichten. Een humanitaire interventie, onder moeilijke omstandigheden. Maar er was wel een kind. Niemand had daar van tevoren iets over gezegd. Ze hadden nergens melding van gemaakt. Hier moest hij zijn verantwoordelijkheid nemen, anders zou de staat zich over haar moeten ontfermen. De staat was een goede oom, maar niet elke oom kon opvoeden. Er deden gruwelijke verhalen de ronde over kinderen van verdachte individuen die na de arrestatie van hun ouders door de staat waren opgevoed. De arm van de staat strekte zich zo ver uit als mogelijk was en het had er alle schijn van dat er iets in zijn geopende hand lag, een snoepje, een speeltje. Maar zijn hand was alleen een aanmoediging, zijn hand bood eerder vriendschap aan dan redding. Even raakte hij haar linkervlecht aan en meer nog dan daarvoor begreep hij dat hij het was die haar moest redden. Op hem kwam het aan. En niet alleen dit meisje, ook zijn huwelijk zou hij redden. Vannacht zou hij twee, nee, drie mensen redden. Dit meisje was hem in zijn schoot geworpen. Hij kon haar niet meer laten gaan. Als hij haar nu liet gaan, was zij voor altijd verloren, net als zijn vrouw, net als hijzelf. Hij was bekend met de opvoedmethoden van de staat, hij zou andere methoden gebruiken. ‘Zeg toch hoe je heet,’ zei hij. ‘Er is iets vervelends gebeurd, maar daar hoef jij niet onder te lijden. Ik neem je mee. Je kunt hier niet blijven. Het is niet veilig hier. Je gaat met mij mee.Daarom moet ik weten hoe je heet.’ Hoe langer hij naar het kind keek, hoe meer hij de vrouw zag die op het bed had gelegen. Hij voelde het vocht op zijn voorhoofd en zijn armen, hij voelde ook vocht langs zijn rug naar beneden glijden. Hij kneep zijn ogen dicht en zag de korporaal, die zijn automatische wapen op de verdachte individuen had gericht en hoe hij had geschoten zonder op te kunnen houden. ‘Ik ben Lina,’ zei het meisje. ‘Ik ben Lina Siñani Huanca.’ De majoor opende zijn ogen.Hij voelde zich opgelucht, alsof hij na een moeilijke operatie met al zijn mannen intact was teruggekeerd naar de basis. Hij probeerde haar met zijn blik te kalmeren. Met zijn ogen wilde hij zeggen: het is goed, want ik ben er, ik ben gekomen om je te redden. ‘Ah,’ zei hij. ‘Lina.’ Hij steunde met zijn linkerhand op de grond. ‘Ik zal je Lina noemen en jij moet me Anthony noemen.’ Hij sprak alsof hij haar een geheim vertelde dat zij met niemand mocht delen. ‘Geen majoor of majoor Anthony, gewoon Anthony.’ De Neus kwam de kamer binnen. Hij was al op de trap begonnen met spreken: ‘We hebben niets gevonden, majoor. Een paar boeken. Wilt u ze zien?’ De majoor stond op. Hoewel daar geen aanleiding voor was, voelde hij zich betrapt. Hij stond zo snel op dat hij duizelig werd. Langzaam schudde hij zijn hoofd en zei: ‘Nee, ik hoef niets te zien.’ De soldaat zag het kind en begon te vloeken. Daarna kuchte hij, hij leek van zijn vloeken te zijn geschrokken en vroeg: ‘Wat gaan we met haar doen?’ ‘We gaan niets met haar doen.’ De majoor keek naar de kaarsen die hij in een onbewaakt moment, een krankzinnig moment, had aangestoken. ‘Hoe bedoelt u: we gaan niets met haar doen?’ De huid van De Neus was gebruind door de zon en toch pokdalig. Slecht voedsel, slechte huid. ‘Zoals ik het zeg,’ zei de majoor. ‘We gaan niets met haar doen.’ ‘Laten we haar hier achter?’ De soldaat droeg zijn geweer op zijn rug. Hij was niet groot. Het geweer paste niet goed op zijn rug, de rug was te klein. ‘Ik neem haar mee,’ zei de majoor. Eigenlijk had hij willen zeggen: ik neem Lina mee. Ze had een naam, er was geen weg meer terug. Dit was zijn operatie, en hij zou die op zijn manier tot een einde brengen. ‘We kunnen doen alsof we haar niet hebben gezien,’ zei de soldaat. ‘We gaan hier weg. We hebben niets gezien en niets gehoord.’ ‘Ik neem haar mee,’ zei de majoor. Hij zag paniek in de ogen van De Neus. ‘Ze valt vanaf nu onder mijn verantwoordelijkheid.’ De soldaat veegde zijn neus af met zijn hand. ‘Is dat niet tegen de regels?’ vroeg hij. ‘Ik bedoel...’ De soldaat had zijn vraag nog maar half uitgesproken of de majoor begreep dat zijn gezag bezig was af te brokkelen. Onder normale omstandigheden had een soldaat zo’n vraag niet durven stellen. De suggestie van illegaliteit was voldoende om de bestaande machtsverhoudingen te ondermijnen. ‘Dit is mijn operatie,’ zei de majoor. ‘Hier gelden mijn regels.’ De soldaat haalde zijn schouders op. Hij keek om zich heen, naar de tafel, het meisje, zijn majoor. ‘Boven zijn we klaar,’ zei hij. ‘Moeten we nog iets doen?’ Hij wees naar de slaapkamer waar de majoor zich net nog zo oud en zwak had gevoeld. De slaapkamer waar hij ongewild een echtpaar een vreselijk lot had bespaard. Mensen moesten in deze tijden wel over leven en dood beschikken, om erger te voorkomen. De goden hadden hun kans gehad. Ze hadden het af laten weten. ‘Haal een wapen uit de jeep,’ zei de majoor op de zachte, vriendelijke toon die hij normaal hanteerde als hij bevelen gaf. Ze liquideerden bij het leger niet op eigen initiatief, maar zelfverdediging was een ander verhaal. Niemand kwam hier vingerafdrukken nemen. Er was een noodtoestand. Hij zou een rapport opstellen waaruit bleek dat het kind ook weerstand had geboden. Dat was niet uitzonderlijk. Kinderen boden vaker zinloos weerstand. Kinderen weten niet wat ze doen. De Neus ging de deur uit. Majoor Anthony nam de kamer nog eens in zich op om er zeker van te zijn dat hij niets had vergeten. Het kind draaide zich om en liep in de richting van de slaapkamer van haar ouders. Onverwacht snel was ze, voor zo’n kleintje. Als een tijger kwam de majoor in beweging. Hij rende achter haar aan en stortte zich op het kind. Snel pakte hij Lina bij de arm en trok haar terug, in de richting van de eettafel. ‘Niet naar boven gaan,’ zei hij. ‘Dat kan nu niet.’ ‘Mama?’ vroeg het kind. ‘Slaapt mijn mama?’ De majoor had een droge mond. ‘Mama is ziek,’ zei hij en hij hield haar stevig vast bij de bovenarm. Hij zei het alsof hij het zelf geloofde. De Neus kwam terug met een wapen, hij keurde de majoor noch het kind een blik waardig. Met zijn geweer op zijn rug liep hij naar boven. Hij zou het wapen op het bed gooien zoals je een vriend een sinaasappel toewerpt. Ze hadden het vaker gedaan. ‘Mama is erg ziek, Lina,’ zei de majoor zonder haar los te laten en hij dacht: dit is mijn operatie, dit is waar mijn leven over gaat. Dit is waarvoor ik ben gemaakt. Toen kwamen zijn mannen naar de woonkamer. De korporaal had een stapeltje boeken in zijn armen. ‘Het zijn rebellen, majoor,’ zei hij. ‘Kijkt u eens naar deze boeken. Terroristen. Wilt u ze meenemen?’ ‘Wie?’ vroeg majoor Anthony afwezig. ‘De boeken.’ ‘Laat maar hier.’ Hij stond op. Nog steeds had hij Lina niet losgelaten. Hij pakte haar hand vast. Een kleine, droge hand. Vergeleken met haar hand was zijn hand nat en plakkerig. ‘Luister,’ zei hij en hij keek naar zijn mannen, die nauwelijks mannen waren. Kinderen. Zieken. Patiënten. Maar geen mannen. ‘Luister,’ zei hij nog een keer, ‘wat er gebeurd is, is...’ Hij kwam niet uit zijn woorden. De korporaal hoestte. Dit keer zei de majoor er niets van. ‘Sneu,’ zei majoor Anthony uiteindelijk. Het was het beste woord dat hij kon vinden, er was geen beter woord. ‘Wat er gebeurd is, is sneu. Dit soort dingen gebeuren. We zijn nu even sip. Maar ik ben verantwoordelijk voor deze operatie, jullie hoeven je nergens zorgen om te maken. Ik stel een rapport op, morgenvroeg stel ik een rapport op. Mijn taak is...’ Hij voelde zich sentimenteel worden. Als kind had hij al moeite gehad om lijden aan te zien. Een stervende vlinder bezorgde hem nachtmerries. Maar wie tegen lijden was, kon van doden zijn beroep maken. Het leger is er om onnodig lijden te voorkomen. ‘Mijn taak is het,’ zei hij, ‘om jullie levend thuis te bezorgen. Dat is mijn primaire taak. De rest is bijzaak. En die taak zal ik ook deze keer volbrengen. Begrijpen jullie wat ik zeg?’ Er werd voorzichtig geknikt. ‘En dat kind?’ vroeg de korporaal. ‘Dat bezorg ik ook levend thuis.’ De stem van de majoor klonk anders dan normaal. Scherper. Een zakelijke routineklus zoals hij er al tientallen, honderden had uitgevoerd, was persoonlijk geworden. Hoeveel verdachte individuen had hij al gearresteerd? Honderden, misschien wel duizenden. Hij deed dat goed. Beter dan de anderen. Professioneel. Voorkomend. Elk verdacht individu had recht op respect. Ook vannacht was hij ondanks alles voorkomend gebleven. Maar toch was deze operatie anders dan alle andere operaties. Vannacht had hij niet alleen verantwoordelijkheid genomen voor zijn mannen, maar ook voor het kind en daarmee voor zijn huwelijk. ‘Daar zijn regels voor, majoor,’ zei de korporaal. ‘Kinderen zonder ouders moeten...’ Zijn stem irriteerde de majoor. Niet eens wat hij zei, dat hoorde hij nauwelijks, maar het stemgeluid van de korporaal, dat nasale. ‘Ik weet niet waar je vandaan komt,’ zei de majoor, ‘en ik weet niet waar je de afgelopen twee jaar hebt uitgehangen, maar je bent nu hier. En waar je nu bent, maken wij de regels. Wij zijn de regels. Dat is de kern van een noodtoestand. De regels worden aan de toestand aangepast, begrijp je? En zolang ik deze operatie leid, ben ik degene die die regels aanpast. Die regels zeggen nu dat dit kind nergens heen gaat waar ik het niet kan beschermen. Heb je dat begrepen, korporaal?’ Er kwam geen antwoord. Het bleef zeker een halve minuut stil. Daar stonden ze, in de woonkamer die niet van hen was en waar ze vermoedelijk ook nooit meer terug zouden komen. De kaarsen brandden nog steeds en de majoor wist niet meer waarop hij nog wachtte. Hij wist alleen dat hij Lina nu ging meenemen, dat hij met haar dit huis zou verlaten. Met haar of helemaal niet. ‘Een vriend van mij,’ zei de korporaal, ‘heeft een brandbom tegen zich aan gekregen. De helft van zijn gezicht is weg. Had hij maar eerder geschoten, majoor.’ Met het meisje aan zijn hand liep majoor Anthony naar buiten. Hij sleurde haar bijna mee. Het was meer rennen dan lopen wat hij deed. De mannen volgden de twee op enige afstand. In de verte vlogen gevechtshelikopters. ‘Had hij maar eerder geschoten, majoor,’ herhaalde de korporaal, dreinend als een kind dat zijn gelijk wil halen. ‘Kijk,’ zei De Neus. Hij wees op de helikopters. Niemand reageerde. Ze waren nu bij de jeep. De korporaal opende het portier. Hij ging achter het stuur zitten. De majoor kroop naast hem, het kind op zijn schoot. ‘Mijn mama slaapt?’ vroeg het kind. ‘Mama slaapt,’ zei de majoor. ‘Ze is een beetje ziek.’ ‘Mijn papa slaapt ook?’ vroeg het kind. ‘Papa slaapt ook,’ zei de majoor. De korporaal haalde een zakdoek uit zijn broekzak en veegde zijn handen schoon. ‘Het gebeurde bij een checkpoint,’ zei hij. ‘De auto minderde vaart en toen gooiden ze een brandbom naar buiten. Hebt u wel eens bij een checkpoint gestaan, majoor?’ De majoor zweeg. Hij hield niet van het woord checkpoint, hij had het bij voorkeur over controlepost. ‘Kunnen we gaan rijden?’ snauwde hij. De jeep werd gestart. Majoor Anthony hield Lina aan haar bovenarmen vast. Hij dacht aan zijn vrouw. Wat nu op zijn schoot zat, was het mooiste wat hij zijn vrouw kon geven. Dit zou ze van niemand krijgen, alleen van hem. Op de achterbank zei De Neus: ‘Ik heb nog vier maanden soldij nodig.’ ‘Waarvoor?’ vroeg de andere soldaat. ‘Om mijn moedervlek weg te halen. Ik ben bij de dokter geweest. Over vier maanden heb ik genoeg geld. Dan gaat die moedervlek weg. Ze zullen me niet herkennen.’
Onze Oom - Arnon Grunberg Paperback, Lebowski ISBN10: 9048801338, ISBN13: 9789048801336
|